March 2010

Virtuele musea

30-03-2010 | Jeroen van der Vliet

“Voorbij het plaatje met het praatje”. Met dat motto organiseerden het Scheepvaartmuseum en DEN afgelopen donderdag de goed bezochte studiemiddag Virtueel Museum. Verschillende musea in Nederland zijn in de weer met het concept van “virtueel museum”, waaronder het Scheepvaartmuseum zelf. Er is de nodige begripsverwarring. Want wat is eigenlijk een virtueel museum?

Voor de gelegenheid waren vijf sprekers bijeengebracht. Als eerste was Martijn Stevens van de Radboud Universiteit Nijmegen gevraagd om een nadere begripsbepaling te geven. Stevens is onlangs gepromoveerd op de invloed van digitalisering op kunstmusea. Zijn standpunt is dat “een website een volwaardig kunstinstituut moet zijn” en dat sluit naadloos aan bij het motto “voorbij het plaatje met het praatje”. Vervolgens werkte hij de verschillende onderdelen van de definitie nader uit: wat verstaan we onder virtueel, museum en een virtueel museum? Bepalen wat een museum is lijkt nog het eenvoudigst, aangezien kan worden verwezen naar de definitie die de ICOM daarvoor geeft, maar wie dat wil uitbreiden naar virtuele musea verzeilt toch snel in nieuwe, semantische discussies.

“Museum. A museum is a non-profit, permanent institution in the service of society and its development, open to the public, which acquires, conserves, researches, communicates and exhibits the tangible and intangible heritage of humanity and its environment for the purposes of education, study and enjoyment.”
definitie van het begrip “museum” door ICOM

Verhelderend werkten de vier praktijkstudies, musea die al bezig zijn in meer of minder gevorderd stadium om een virtueel museum uit te bouwen. Ernst van Keulen toonde de plannen voor MijnScheepvaartmuseum.nl. Ita Amahorseija vertelde uitgebreid over de ervaringen van de Anne Frank Stichting en het Achterhuis Online, dat op 28 april officieel gelanceerd zal worden. Neeltje Wessels liet zien hoe het Armando Museum de Wereld van Armando naar het web wil brengen. Marieke Oudheusden ging tenslotte in op de iPhone app die het Graphic Design Museum uit Breda heeft ontwikkeld.

Het zijn vier totaal verschillende benaderingen van het zelfde concept virtueel museum. Waar MijnScheepvaartmuseum.nl sterk inzet op de maritieme beleving en het doen van onderzoek, zoekt de Anne Frank Stichting vooral een plek waar een bezoeker in zijn eigen tempo door het Achterhuis Online kan lopen. Met de lange rijen voor het “echte” Anne Frank Huis is dat geen vreemde gedachte. Daar komt nog bij dat het virtuele Achterhuis kan worden ingericht zoals het was in de oorlogsjaren, iets wat Otto Frank absoluut niet wilde dat zou gebeuren met het echte Achterhuis. Hoewel het Armando Museum in 2007 afbrandde, bestond het idee voor een virtueel museum al veel langer. Vooral om de rijke en complexe ideeënwereld van de naamgever recht te doen. In een fysieke tentoonstelling is dat niet mogelijk, in een webtentoonstelling kan dat wel. Het Graphic Design Museum laat zien dat een virtueel museum ook het fysieke museum kan versterken. De iPhone app werkt in en buiten het museum zelf. Het voordeel van het gebruik in het museum is dat de app “weet” waar de bezoeker zich bevindt en daar de informatie op aanpast.

Doelen van de bijeenkomst waren om niet alleen te komen tot een bruikbare definitie, maar ook de mogelijkheden voor de bezoeker en de mogelijke obstakels binnen het museum als organisatie in kaart te brengen. Uit de grote opkomst, twee keer zo veel als verwacht, blijkt daaraan grote behoefte te bestaan in de museumwereld. DEN en het Scheepvaartmuseum zullen snel met een vervolg komen. Daarnaast wordt ook gewerkt aan het opzetten van een speciaal kennisnetwerk.

De presentaties van de sprekers en een uitgebreid verslag van de bijeenkomst zijn te vinden op de website van het Scheepvaartmuseum.

Tags

Gerda

29-03-2010 | Jeroen van der Vliet

Eerder deze maand ontstond politieke ophef omdat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit had geposeerd in een eenmalige glossy die haar jarige (want 75 jaar oude) ministerie had uitgebracht. Het stormpje, dat in de Tweede Kamer nog leidde tot een motie van treurnis, is inmiddels gaan liggen.

Terugkijkend op het publiek debat, want het verschijnen van deze glossy raakte blijkbaar toch een gevoelige snaar, valt op dat deze vooral ging over de kosten: 400.000 euro. Hoe kan het ook anders als bijna gelijktijdig enorme bezuinigingen in het vooruitzicht worden gesteld.

Alleen het vakmagazine Communicatie wierp nog een opiniërend balletje op door te stellen dat deze vorm van overheidscommunicatie toch moest kunnen. En voor dat standpunt zijn in ieder geval onder de communicatiespecialisten veel medestanders te vinden. Ook dat is weer niet zo verrassend.

Vanwaar dan toch een stukje over een overheidsglossy? Hier op kantoor ontvangen wij regelmatig soortgelijke glossies van verschillende ministeries, rijksdiensten, onderzoeksinstellingen en universiteiten. Ze zien er altijd weer zeer verzorgd uit, kosten de ontvanger niets (maar de opdrachtgever vast een heleboel) en na lezing gaan ze zonder uitzondering allemaal de papiermand in. En het zal op uw kantoor vast niet anders zijn.

Dus waarom wil een jarig landbouwministerie juist die 850.000 lezeressen van Libelle, Margriet en Flair vertellen over de moderne en uitdagende beleidsterreinen waar haar ambtenaren zich dagelijks mee bezig houden? Waarom daar niet iedereen deelgenoot van maken? Of tenminste diegenen die daar graag iets over zouden willen lezen?

Maar bovenal, waarom kiest de rijksoverheid anno 2010 nog steeds voor zo’n ouderwets papieren blad als medium? Ooit gehoord van een e-mailnieuwsbrief? Geen hoge drukkosten, niet betalen voor verspreiding via post en tijdschriftenhandelaren, je kunt met één klik eenvoudig doorverwijzen naar allerlei websites, filmpjes, audiobestanden, achtergrondinformatie, datacollecties en verdere lezenswaardigheden – én het is nog eens beter voor het milieu ook.

De lijst met voordelen van e-mailnieuwsbrieven gaat tenminste nog een puntje verder. Het is een vorm van zeer gerichte marketing. Geen idee hoeveel van de lezeressen van bovengenoemde lifestylebladen de glossy Gerda uiteindelijk zullen hebben gelezen, maar sinds de aangescherpte Telecommunicatiewet schuilt achter elke abonnee van een e-mailnieuwsbrief iemand die zelfs graag op de hoogte wil worden gehouden en daar zelfs zijn of haar e-mailadres voor doorgeeft!

Tags

Een auto die een koets gelijkt: het e-boek in de kinderschoenen

24-03-2010 | Robert Gillesse

Het E-reading event dat uw verslaggever op 23 maart jongstleden bezocht,  begon met een vergelijking die de hele dag boven het gebodene bleef hangen: zoals de eerste auto’s nog op een koets leken, zo lijken de huidige generatie e-readers en e-boeken nog op, eh, boeken. Deze fijne metafoor werd uitgesproken door Pieter Hermans, organisator van het Event en directeur van Jakajima.nl.

Het E-reading event is het eerste, grote congres over dit onderwerp in Nederland. De insteek was vooral commercieel: uitgevers, e-boek en e-readerproducenten domineerden het toneel. Toch was het ook vanuit erfgoedperspectief een bijzonder interessante dag. Want de e-readerrevolutie kan ook in onze sector grote gevolgen gaan hebben. Om maar is wat te noemen: wie heeft nog bibliotheken nodig als je straks Google boeken uit de Google Cloud kunt “lenen”? De Google Books spreker Philippe Colombet hintte reeds naar verdienmodellen in deze richting.

Naast een symposium was er ook een beurs waarop e-readerproducenten, e-boekmakers en allerhande tussenpersonen (waaronder het Centraal Boekenhuis) hun kunnen en waren presenteerden.

Een aantal opvallende observaties uit het Event:

  • Afbeelding uit lezing Wiebe de Jager

    Alle sprekers leken het, opvallend genoeg, eens over één ding: DRM (Digital Rights Managment) in de e-boekenmarkt is een doodlopende weg. Keynote spreker Wiebe de Jager, mede oprichter van e-readers.nl en fanatieke e-boekblogger, toonde zelfs een plaatje van een grafsteen met “DRM” er op (zijn interessante lezing hier). DRM blijkt een belangrijk obstakel op uitwisselbaarheid van e-boeken en daarmee een rem op de verkoop. Libris-directeur Caroline Damwijk vermeldde dat negen van de tien e-boekvragen van klanten te maken hadden met problemen rondom DRM. Zelfs Bol.com (vertegenwoordigd door Hidde van der Louw) dat een eigen DRM-variant gebruikt, beaamde dit beeld. Voor de duidelijkheid: het door iedereen omarmde e-pub formaat is op zich zelf genomen open, het daarbinnen te gebruiken DRM maakt echter dat grote spelers eigen, niet uitwisselbare “ecosystemen” kunnen creëren. Bekende ecosystemen zijn die van Amazon (maakt gebruik van een eigen bestandsformaat gekoppeld aan eigen hardware: de Kindle), Bol.com en straks waarschijnlijk Apple (middels de iPad).
  • De verkoop van e-readers en e-boeken in Nederland is eigenlijk nog maar nauwelijks begonnen. Marktonderzoekbedrijf GfK wist te melden dat er tot nu toe 37.000 readers waren verkocht, waarvan 20.000 door Bol.com.  Bol heeft tot nu toe 54.000 e-boeken verkocht en verwacht er in 2010 een kleine 150.000 te verkopen. Dit zijn in tegenstelling tot wat in de VS gebeurd – met name door Amazon – nog erg bescheiden verkoopcijfers. GfK-spreker Maikel Verhaaren zag betreft het e-lezen “drie beren op de weg”:
    1. Een nieuwe technologie heeft voldoende draagvlak en kritische massa nodig. Zie bijvoorbeeld het succes van de iPod of de smartphones. Het aantal verkochte e-readers is nog erg laag en dit zit waarschijnlijk in de geringe toegevoegde waarde van het apparaat. De huidige generatie readers is niet sexy, is single-purpose, en in zicht daarvan relatief duur. Wellicht dat de iPad, of komst van andere, veelzijdiger tablets hier verandering in gaat brengen.
    2. De koopintentie is nog erg laag. Per reader worden gemiddeld 3 boeken gekocht (dat is exclusief studieboeken). De consument is dus nog zeker niet om, al is er een e-reader aangeschaft. De hoge prijzen van e-boeken, al dan niet veroorzaakt door een hoger BTW-tarief, worden door de consumenten absoluut niet begrepen.
    3. Het aanbod van Nederlandse boeken is nog zwaar onder de maat. Slechts 3% van de huidige oplage Nederlandse boeken schijnt als e-boek verkrijgbaar te zijn. Ook moeten uitgevers het gedrukte en het e-boek tegelijk publiceren. Consumenten begrijpen niet waarom ze op het e-boek langer moeten wachten. Uitgevers zijn simpelweg te afwachtend.
  • Dit geringe aanbod van titels, de afwachtendheid van de uitgevers en de hoge prijzen van e-boeken zet de deur open voor ander gevaar: piraterij. De link met de lang treuzelende en onhandig opererende muziek- en filmindustrie wordt heel duidelijk gezien: boekenuitgevers kunnen zich niet veroorloven af te wachten. Illegale “scanstraten” staan reeds op scherp.
  • Er wordt hard gewerkt aan schermen die de e-ink eigenschappen (hoge leesbaarheid, werken bij omgevingslicht en heel laag energieverbruik) paren aan de verworvenheden van LCD-schermen (hoge kleurdiepte, scherpte en snelle wisseling van beeld). Veelbelovende schermtechnieken zijn die van Mirasol en Liquivista (ooit onderdeel van Philips). Johan Feenstra van het laatste Nederlandse bedrijf was een van de keynote speakers. De Liquivista-techniek zou volgens hem goedkoper zijn dan die van Mirasol en het op termijn mogelijk maken ook buigzame schermen (als ons ooit beloofd) te produceren.
  • Het e-boek wordt door verschillende sprekers gezien als maar één van de apparaten waar je op kan lezen. Zowel Colombet van Google Books als Michiel Buitelaar, COO digitale media van Sanoma uitgeverij, gaven aan heel duidelijk in te zetten op meerdere media. Colombet zei te werken volgens motto: “buy anywhere, read anywhere”. Dit verwijst naar de e-boekcloud plannen van Google. Zij zien het downloadmodel als verouderd en misbruikgevoelig en willen gebruikers via een eigen account altijd toegang bieden tot de door hen aangeschafte content. En dat geheel los van het medium waarop die content wordt bekeken. Buitelaar hield een meeslepend en humoristisch betoog over de activiteiten van mediagigant Sanoma (>80 websites) in het ontwikkelen van iPhone apps (onder andere van Nu.nl). Apps moeten volgens hem echt als een nieuw medium worden gezien en ook als zodanig worden behandeld. Het 1:1 omzetten van het ene naar ene medium is volgens hem tot mislukken gedoemd. Het ontwikkelen van apps is daarmee een dure operatie.
  • Uit een, niet erg diepgaande, e-readingtest door de Hogeschool van Amsterdam bleek dat studenten bijzonder ontevreden waren over de e-readers. Oordeel van het studentenvolkje: Langzaam, aantekeningen maken is onhandig, lastig wisselen tussen boeken, suf apparaat. De studenten meldden dat het wellicht iets zou zijn voor de jongere generatie (!) die niets anders zou doen dan van het scherm lezen. Deze nuffige generatie twintigers prefereert een papieren studieboek.
  • In tegenstelling tot wat de studenten denken lijken de huidige e-readers vooral door ouderen te worden gekocht. Zij lezen blijkbaar het meest, hebben een wat dikkere portemonnee en zien het nut wel in van apparaatje waarop je een hele stapel boeken mee op vakantie kunt nemen. Is daarmee de e-reader een gadget voor 50 plussers? De Libris-directrice Caroline Damwijk legde in ieder geval een sterke nadruk op deze consumentengroep.
  • Irex "A4" e-reader

    Een wat onderbelicht aspect van de e-reader kwam in een van de laatste lezingen aan bod: het sparen van het milieu. Hans Brons van IREX Technologies (e-readerproducent, eveneens een Philips offspin) benadrukte de rol die e-readers in de professionele markt kunnen gaan spelen. Brons zag in tegenstelling tot eerdere sprekers juist daar wel een duidelijke rol voor single purpose leesapperaten. Uw verslaggever schaamt zich regelmatig diep over de pakken papier die hij uitprint en voelde zich zeer aangesproken door dit verhaal. Sinds de komst van de PC’s wordt er, in tegenstelling tot werd verwacht – het papierloze kantoor -, meer papier gebruikt als ooit. IREX heeft een A4 grote e-reader voor professioneel gebruik ontwikkeld en verwacht daar veel van. Wellicht dat met dergelijke e-readers het papierloze kantoor dan toch een kans gaat maken. Over het milieu effect van e-boeken vond uw Schuldige Printopdrachtgever overigens onlangs nog deze interessante bron: http://www.ecolibris.net/ebooks.asp

Kortom een welbestede en inspirerende dag! Voorlopige conclusie: het e-lezen wacht een grote toekomst, maar een aantal obstakels dient wel uit de weg te worden geruimd. Een groter aanbod e-boeken, geen DRM, lagere prijsstelling, betere (kleuren)schermen, sexier apparaten en het serieus aanboren van de professionele leesmarkt.

Ter afsluiting: DEN heeft samen met de KB voorgenomen om medio mei of juni een studiemiddag te organiseren over de gevolgen van e-reading voor de erfgoedsector. Wij horen daarom graag van erfgoedinstellingen of zij ervaring hebben met e-books en e-lezen en staan open voor suggesties betreft de invulling van de studiemiddag. Reageer in het onderstaande of neem contact met ondergetekende.

Tags

Wat kost digitaliseren?

10-03-2010 | Robert Gillesse

De bovenstaande vraag is zowel naïef als gemeen. Ze is namelijk bijzonder lastig te beantwoorden. Dat geldt zowel voor het vaststellen van de incidentele projectkosten (de uitvoeringskosten) als de structurele, elk jaar terugkerende kosten. Voor het eerste geldt dat alle schakels in het digitaliseringsproces bekend moeten zijn en voorzien van een kostenplaatje. Voor het tweede geldt dat er ondubbelzinnig inzicht moet zijn in de opslag-, hostings- en eventuele auteursrechterlijke kosten.

Om erfgoedinstellingen te assisteren de vraag “wat kost digitalisering” te beantwoorden heeft DEN in samenwerking met Erfgoed Nederland sinds juli 2009 gewerkt aan een erfgoedbreed te gebruiken Rekenmodel digitaliseringskosten. Een belangrijke inspiratiebron daarbij was het rekenmodel dat in 2008 is ontwikkeld door het Gelders Archief. Dit model scheidde duidelijk de structurele van de incidentele kosten. Deze scheiding is een belangrijk uitgangspunt geworden voor het nieuw te ontwikkelen rekenmodel. Omdat het nieuwe model erfgoedbreed bruikbaar moest zijn, bevat het, in vergelijking tot het Gelderse model dat is gemaakt vanuit archief perspectief, veel meer kostenposten. Deze detaillering is een van lastige aspecten van het rekenmodel. Want: wanneer wordt het te gedetailleerd en staat het de gebruiksvriendelijkheid in de weg? Daarom wordt er in de bijgevoegde handleiding de nodige nadruk gelegd op het feit dat niet alles hoeft te worden ingevuld. Hopelijk is dat afdoende.

Het rekenmodel is in de huidige vorm een spreadsheet. Het heeft daarmee alle voordelen (flexibiliteit) en nadelen (complexiteit, compabiliteitsproblemen tussen versies, niet erg fraai qua uiterlijk, moeilijk te gebruiken voor vergelijking) van een dergelijk bestand. Het idee is wel op termijn – wanneer het rekenmodel zich in de praktijk heeft bewezen en wanneer daar behoefte aan is – de spreadsheet om te bouwen tot een webapplicatie. Een dergelijke applicatie zal eenvoudiger zijn in het gebruik en onderlinge vergelijking en benchmarking sterk vereenvoudigen.

Het rekenmodel in de huidige vorm is ook (nog) beperkt tot stilstaand beeld. De aanpassing voor bijvoorbeeld data-entry of audio-visuele projecten volgt wellicht nog. In ieder geval is het eenieder vrij het model aan te passen naar eigen wens en die zo nodig verder te verspreiden. Sterker nog: DEN en Erfgoed Nederland zouden een dergelijk hergebruik van het model zeer waarderen en zullen dit, waar nodig en mogelijk, faciliteren.

Het spreadsheet-rekenmodel bestaat uit een groot aantal werkbladen (of “tabs”) die in meer of mindere mate staan voor de verschillende fases in een digitaliseringsproject. Het is echter geen noodzaak alle werkbladen in te vullen – sommige werkbladen zullen voor bepaalde projecten simpelweg niet relevant zijn.  Belangrijk is wel dat een aantal basisgegevens zijn ingevuld. Dit zijn om de benodigde opslag te kunnen berekenen: de hoeveelheden te digitaliseren materiaal, de (gemiddelde) afmetingen van de originelen, de resolutie en de bitdiepte (zwart, grijswaarden of kleur) waarmee wordt opgenomen en het bestandsformaat waarmee de afbeeldingen worden opgeslagen. Andere belangrijke basisgegevens zijn de loonschalen en de opslagkosten.

Die laatste categorie is natuurlijk ook gemeen: wanneer een instelling zelf de (archief en online) opslag heeft geregeld zal het bijzonder lastig zijn de precieze kosten (in het model uitgedrukt in TB per jaar) te achterhalen. DEN is daarom bezig te onderzoeken of het mogelijk en zinvol is een aanvullend rekenmodel te ontwikkelen die de kosten van digitale opslag inzichtelijk kan maken. Omdat bij opslag de uitgangspunten en variabelen natuurlijk enorm kunnen uiteenlopen, is dit een aardige hersenkraker.

Het rekenmodel zal, inclusief handleiding, medio eind maart/begin april beschikbaar komen op de DEN website. Wie niet kan wachten moet maar even contact opnemen met ondergetekende. Tenslotte houden wij ons ook aanbevolen voor kengetallen betreffende aantal meters versus hoeveelheid scans en bedragen die instellingen en leveranciers rekenen voor digitale opslag en hosting (gegevens die wij natuurlijk vertrouwelijk zullen behandelen).

Download het rekenmodel

Tags

Ter gelegenheid van de lancering van de online collectie van het Amsterdams Historisch Museum

09-03-2010 | Marco de Niet

[praatje gehouden bij de lancering van de Collectie Online van het Amsterdam Historisch Museum, 4 maart 2010]

Dames en heren,

U verwacht misschien dat ik als directeur van DEN, het kenniscentrum dat erop toeziet dat de erfgoedinstellingen goed digitaliseren, nu uit de doeken zal doen of het AHM zijn online collectie technisch verstandig heeft aangepakt, of de goede standaarden zijn toegepast, hoe de kwaliteit is van de afbeeldingen en de beschrijvingen, en of de collectie goed vindbaar is gemaakt. Maar die insteek kies ik vandaag niet. Ik zet een andere pet op. Van huis uit ben ik Neerlandicus en boekhistoricus, en geïnteresseerd in 18e-eeuwse cultuurgeschiedenis. Vanuit die belangstelling wil ik graag een verhaaltje met u delen, op basis van enkele objecten die ik bij voorinzage in de AHM Collectie Online heb gevonden.

In de AHM Collectie Online komt een tekening voor van een jeugdige Arend Fokke met vaandel. Deze persoon heeft een jaar lang mijn leven gedomineerd. Mijn afstudeeronderzoek was namelijk aan hem gewijd.

Arend Fokke Simonsz (1755-1812) is bij u wellicht nog bekend dankzij de Fokke Simonszstraat. Hij was een telg uit een artistieke familie. Hij was zoon van de bekende graveur Simon Fokke, halfbroer van de geschiedschrijver Jan Fokke, kleinzoon van een toneelspeler Arent Fokke. Zelf was hij boekhandelaar, prentenuitgever, redacteur van het dagblad van het Amsterdamse stadsbestuur, privé-leraar, schoolbestuurder, bibliothecaris, archivaris, veelschrijver. Maar hij is vooral bekend gebleven als veelspreker. Daarmee bedoel ik: hij hield veel redevoeringen in Amsterdamse letterkundige genootschappen. Dertig jaar lang heeft Fokke als succesvol spreker zijn Amsterdams publiek vermaakt. Voor zover bekend is hij van minstens twaalf genootschappen lid geweest. Een echte genootschapstijger dus.

Het eerste genootschap dat hem verwelkomde, was Felix Meritis, in 1782. Fokke was ook zeer actief betrokken bij de Maatschappij Tot nut van ‘t algemeen. Hij was mede-oprichter van het Tweede Amsterdamse Departement van de Maatschappij. Van en over beide genootschappen zijn veel objecten in het AHM te vinden.

In de tweede helft van de 18e eeuw bloeide de genootschapscultuur als nooit tevoren. In de periode oktober-mei werden er wekelijks bijeenkomsten georganiseerd, waar de leden met elkaar van gedachten konden wisselen over geschiedenis, cultuur en levensbeschouwelijke onderwerpen. Politiek was in de regel taboe. Maar denk nu niet dat de 18e eeuw een brave, saaie eeuw was waarin de leuteraars de overhand hadden. Gelukkig weten we ook, bij voorbeeld dankzij schilderijen en prenten van Cornelis Troost, dat de 18e-eeuwers ook levensgenieters waren, en dat menige bijeenkomst van gegoede heren eindigde met een hoog gehalte ‘Wein, Weib und Gesang’.

Terug naar Fokke. Hij was zo’n populaire spreker in genootschappen, omdat hij een voordrachtskunstenaar was – hij kwam niet voor niets uit een familie van acteurs. Hij koos ervoor zijn voordrachten aan te kleden met een ‘ironisch-komisch’ sausje. Voor ons is zijn humor niet meer zo aansprekend, maar door zijn originele invalshoek om geschiedenis en filosofie te populariseren, genoot hij in zijn dagen nationale bekendheid.

Naast zijn reguliere optredens werd hij ook door menig genootschap uitgenodigd in te vallen op avonden dat geplande sprekers verhinderd waren. Dat de genootschappen hem hiervoor dankbaar waren, blijkt niet alleen uit het feit dat hij, bij wijze van uitzondering, betaald werd voor zijn voordrachten – we kunnen hem met een gerust hart een broodspreker noemen. Hij werd ook enkele malen benoemd tot erelid vanwege zijn verdiensten. En soms ontving hij bijzondere geschenken van zijn genootschapsvrienden, zoals een fraai kelkglas van Felix Meritis.

Zoals het wel vaker gaat in dit soort verhalen: het liep niet goed met hem af. Hij had een zwakke gezondheid, kon wegens ziekte steeds minder vaak zijn functie op het stadhuis uitoefenen en ontving dus steeds minder salaris. De genadeslag kwam toen hij door enkele opruiende uitlatingen in 1811 uit voorzorg in de gevangenis werd gezet toen Napoleon Bonaparte Amsterdam bezocht. Een jaar later is hij arm en ziek gestorven.

Waarom geef ik u deze korte biografische schets van een van uw 18e-eeuwse stadsgenoten?

Fokke was een kind van de Verlichting. Verheffing door zelfstudie en kennisvermeerdering was voor hem een vanzelfsprekendheid. Alleen zo kon hij een goede burger worden. Zijn talenten zorgden ervoor dat hij als lagere ambtenaar voortdurend in contact kon staan met beter gesitueerden en hoger opgeleiden, die hem baantjes en opdrachten konden bezorgen. Hij wist goed en handig om te gaan met de media uit zijn tijd: boeken, pamfletten, almanakken, tijdschriften, prenten, en dus ook de podia in de genootschappen. Kortom, hij was een 18e-eeuwse sociale netwerker.

De parallellen met de moderne tijd zijn evident.

Fokke hield veel voordrachten over historische onderwerpen, en gebruikte ter voorbereiding daarop bibliotheken, privécollecties en archivalia. Op basis van de  bronnen die hij ter beschikking had, kon hij zijn verhalen vertellen, en zocht hij daar gepaste kanalen bij. Wij gaan anno 2010 niet anders te werk.

Dankzij de voorinzage die ik kreeg ter voorbereiding op dit praatje, ontdekte ik in de collectie van het AHM twee aan Fokke gerelateerde objecten die mij onbekend waren: de tekening van de jeugdige Fokke en de glaskelk van Felix Meritis.

Het digitaal beschikbaar zijn van erfgoedcollecties maakt het mogelijk nieuwe verhalen te vertellen en bestaande verhalen te verrijken, zoals ik hier doe. Dankzij de nieuwe media kunnen we steeds beter en steeds sneller inzichten opdoen, vergelijkingen maken, dwarsverbanden leggen.

Ik zal een voorbeeld van dat laatste geven. Dankzij die tekening weten we bij benadering hoe Arend Fokke er als tiener uitzag. Maar hoe zag Arend Fokke eruit als volwassene? Die vraag kunnen we niet beantwoorden aan de hand van de AHM Collectie Online. En dat is niet erg. Want in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam komt wel een prent van hem als volwassene voor.

Zo hoort het ook te werken in een genetwerkte samenleving. Vanuit hun eigen verantwoordelijkheden voor beheer, behoud en dienstverlening maken deze en andere erfgoedinstellingen het mij mogelijk mijn belangstelling voor het 18e-eeuwse Amsterdam te voeden met nieuw materiaal, nieuwe informatie, nieuwe inzichten. Voor wie die belangstelling deelt: graag wijs ik even op nog een ander lijntje in dat netwerk: mijn persoonlijke website, waar u een uitgebreidere biografie kunt lezen van Arend Fokke Simonsz.

Op deze wijze kunnen instellingen en individuen steeds meer samenwerken en netwerken. Vandaag grijpt het AHM een actieve rol in de digitale cultuurhistorische netwerken. Een prachtige online collectie met maar liefst 70.000 objecten, ieder met een eigen verhaal, komt beschikbaar. En dit is nog maar het begin. Dat is niet zozeer een oproep aan het museum, maar vooral aan u. Het AHM verleidt u uw eigen ontdekkingstocht door het verleden (en dat is voor mij ook de dag van gisteren) te maken. Dankzij internet is het gemakkelijker dan ooit verhalen te maken, te ontdekken en te delen met anderen.

Voor ik de online collectie van het AHM lanceer, wil ik de medewerkers van het AHM, Paul Spies, Judith van Gent, Marijke Oosterbroek, Gusta Reichwein en al die andere collega’s die betrokken waren bij het opzetten van de AHM Collectie Online, bedanken en feliciteren. Zij hebben het voor ons gemakkelijker en aantrekkelijker dan ooit gemaakt voorbij de waan van de dag te kijken en te tonen in welke mate wij, net als Arend Fokke, nog kinderen zijn van de Verlichting.

Tags

Allemaal digitaal

08-03-2010 | Annelies van Nispen

Toegang tot het internet is een mensenrecht, schrijft de BBC vanochtend. De BBC is bezig met een serie over de nieuwe Superpower en bedoeld daarmee het internet. Nederland is altijd een van de koplopers geweest, dit is mooi te zien in deze visualisatie van de groei van het internet.

Ook The Economist had vorige week een special report gewijd aan hoe het internet samenlevingen, wetenschap en economieën veranderd. Dit is het tijdperk van “de industriële revolutie van data”. De verwachting is dat de hoeveelheid digitale informatie elke vijf jaar zal vertienvoudigen. De verwachting is dat dit jaar 1.200 exabyte aan digitale informatie zal worden gegenereerd.

De enorme groei en de snelheid waarmee het gepaard gaat, zorgt ook voor een aantal problemen. Een paar zijn er van technische aard, zoals opslagcapaciteit en de vindbaarheid van informatie.
Er wordt al beduidend meer geproduceerd dan er aan opslagcapaciteit is. Sinds 2007 lopen de grafieklijnen uit elkaar.

En wat betreft de vindbaarheid. Op dit moment is 5% van alle data op het internet gestructureerde data en hoe vind de relevante informatie: metadata. The Economist schrijft over metadata o.a. het volgende:

“These days metadata are undergoing a virtual renaissance. In order to be useful, the cornucopia of information provided by the internet has to be organised. That is what Google does so well. The raw material for its search engines comes free: web pages on the internet. Where it ads value (and creates metadata) is by structuring the information, ranking it in order of its relevance to the query.

Google handle around half the world’s internet searches, answering around 35.000 queries every second. Metadata are a potentially lucrative business.

“If you can control the pathways and means of finding information, you can extract rents from subsequent levels of producers”.

Maar er zijn meer lastige zaken met de informatie-explosie en internet-revolutie. Het interpreteren van de enorme hoeveelheden data kan vrijwel alleen nog door complexe algoritmes die door weinigen nog worden begrepen. Dit wordt ook gezien als een belangrijke factor voor de huidige kredietcrisis. Wie kan nog beoordelen of de informatie ook betrouwbaar is?
Ook privacy komt steeds hoger op de digitale samenlevingsagenda te staan. Bij het vormgeven van de digitale samenleving zullen ook ethische kwesties moeten worden behandeld.

Voor wie het hele special report on managing information wil lezen kan dat ook gratis digitaal. Al heb ik de papieren versie gekocht. Maar ik heb (nog) een grote voorliefde voor papier :)

Tags

Sabine zoekt door Utrechtse publicaties

02-03-2010 | Jeroen van der Vliet

Voor cultuurhistorisch onderzoek zijn tijdschriften van historische verenigingen, heemkundekringen en archeologische werkgroepen een belangrijke bron van informatie. Het vinden van bruikbare artikelen binnen de vaak zeer diverse en doorgaans slechts in kleine kring verspreide media, stelt onderzoekers echter wel voortdurend op de proef.

Sabine, oftewel Stichts Bibliografisch Netwerk Utrecht, heeft zich tot doel gesteld om zo’n 3500 artikelen uit tijdschriften van historische verenigingen en stichtingen die actief zijn in de provincie Utrecht te digitaliseren en doorzoekbaar te maken.

De 3500 artikelen worden toegevoegd aan de bibliografische internet-database waarin reeds 40.000 titels zijn opgenomen van publicaties die de Utrechtse cultuur en geschiedenis behandelen.

Tags , , ,

Doe de webkleurencheck

02-03-2010 | Jeroen van der Vliet

In DE BASIS is een kleurencheck opgenomen voor fotomateriaal (MacBeth Colorchecker) en grijswaarden (Kodak Greyscale 013), maar zo iets dergelijks is er nog niet voor de visuele overdraagbaarheid van webinformatie, in het bijzonder voor de wijze waarop kleurenblinden uw website zien.

Het probleem van kleurenblindheid is groter dan u wellicht dacht: 8% van alle mannen en 0,4% van alle vrouwen heeft een vorm van kleurenblindheid. Dat is een aanzienlijk deel van uw potentiële en bestaande webbezoekers. En dat betekent dat visuele informatie op uw website wellicht niet zo op hen overkomt als u het had bedoeld.

Sommige visuele informatie is onbegrijpelijk voor kleurenblinden (bron: Naar Voren).

In het artikel Kleurencheck: niet vergeten in het webtijdschrift Naar Voren legt Judith van Dam uit waar u op moet letten als u ook uw kleurenblinde webbezoekers de juiste boodschap wilt overdragen.

Tags ,