Regionaal naar 2.0

21-05-2010 | Marco Streefkerk

Banner Regionaal Archief Nijmegen

Maandag was ik te gast bij het Regionaal Archief Nijmegen(RAN). Het RAN wil meer gebruik maken van de mogelijkheden van het internet en organiseert een serie interne studiemiddagen om ideeën en kennis op te doen en daar onderling over te discussiëren. Gezamenlijk richtpunt: een RAN 2.0.

Voor de aftrap waren ook medewerkers van andere erfgoedinstellingen in Nijmegen uitgenodigd: de bibliotheek, de archeologische dienst, het museum. Prima idee natuurlijk, als je er vanuit gaat dat het maatschappelijk belang van erfgoed primair ligt in het versterken van de gemeenschap. De verschillende instellingen hebben kennis en collecties die betekenis hebben voor Nijmegen en omgeving en dat is ook de reden waarom de lokale overheid de erfgoedorganisaties ondersteunt.

Om het gezelschap te inspireren waren sprekers van buiten gevraagd: Martijn Stevens over musea, Christian van der Ven over (andere) archieven en ikzelf over bibliotheken. De presentaties van Christian en mijzelf zijn gepubliceerd op de blog van het RAN, een eerste 2.0 instrument.

Aan het einde van mijn verhaal, raakte ik ook nog kort aan het belang van businessmodellen als hulpmiddel om organisatieveranderingen te stimuleren én om de nieuwe dienstverlening onderhoudbaar te maken. Alle aanwezigen hadden een zelf ingebonden exemplaar (de eerste druk is uitverkocht) van de publicatie ‘Business Model Innovatie Cultureel Erfgoed’ gekregen en ik vermoed dat een aantal het ook echt gelezen hadden.

Met de aandacht voor nut en noodzaak van businessmodel innovatie richtte ik mij toch in eerste instantie op het management van RAN en de andere aanwezige instellingen. Voor de anderen is het veel effectiever om toch vooral creatief te zijn en die creativiteit vervolgens gezamenlijk in te passen in een digitale strategie: ‘Waar willen we als regionaal archief in Nijmegen naartoe?’

Opvallend vond ik dan ook dat het Informatieplan van het RAN (looptijd 2008-2011) geen rol speelde tijdens de bijeenkomst. Terwijl in het informatieplan toch al een digitale strategie is vastgelegd. Is die dan achterhaald? Is het plan vergeten? Of is het gewoon ondoenlijk om ik deze dynamische wereld iets zinnig te zeggen over de toekomst?
Banner De Gelderlander
Aan creativiteit geen gebrek. Projectleider Ernest Verhees lanceerde het idee om elke dag de actualiteit in de Gelderlander te relateren aan materiaal in het archief. Prima! Maar welke strategische doelen worden daarmee gediend: bekendheid voor het archief? Voor de collectie? Meer hits op de website? Verkoop van reproducties van foto’s van historisch Nijmegen? Maak het expliciet en meet het.

Verder denkend kwam ik al gauw op waardecreatie. Is de verdieping interessant voor de lezer van De Gelderlander? Zo ja, dan wordt website van De Gelderland door de referenties naar het archief meer waard. In dat geval kunnen journalisten wellicht initieel bepalen of hun artikelen zich lenen voor historische contextualisering. Misschien met een beetje instructie door iemand van het archief kunnen ze ook al een eerste selectie maken van interessante verwijzingen in de beeldbank van het archief. Dat zou het archief heel veel werk besparen en een nieuwe ‘heavy user’ voor de beeldbank opleveren.

Partners, efficiency, opbrengsten, doelgroepen, hmmm… dat klinkt toch wel weer erg als businessmodellen.

Tags , , ,

Contextualisering vs. Personalisering

20-05-2010 | Monika Lechner

Ik had gister de eer deel te mogen nemen bij de al weer derde bijeenkomst van het Innovators Netwerk Erfgoedsector. Het netwerk is een initiatief van Kennisland en wordt mede mogelijk gemaakt door Beelden voor de Toekomst. De bijeenkomst vindt elke keer op een andere locatie plaats, met een andere insteek en de bedoeling om vooral aan de slag te gaan zonder veel bureaucratisch of institutionele hindernissen. Zo zit een ieder er dan ook op persoonlijke titel, maar wel onder werktijd en met de bedoeling om er iets van op te steken wat later nuttig kan zijn voor de eigen organisatie, ga ik van uit.

De bijeenkomst gister vond plaats bij Beeld en Geluid en draaide om contextualisering. Meest interessant vond ik zelf dat bij de ideeën die gepresenteerd werden de nadruk gelegd werd op de context tussen de bezoeker en de collectie en niet zo zeer op de verbanden tussen verschillende collecties. Alles draait dus om de gebruiker.

Dat zit natuurlijk geheel in de lijn van observaties zoals dat Facebook Google verdrongen heeft van zijn #1 positie als meest bezochte website in de VS. Iets wat Hyves in Nederland overigens al veel eerder gelukt was, namelijk in 2007. Tegenwoordig staat Hyves weer op plaats 2, dan wel 3 (achter Google.com en Google.nl) van Nederlands meest bezochte websites. Verbazingwekkend, want niemand heeft het er nog over sinds Facebook in de aanval gegaan is. Persoonlijk geloof ik, alhoewel ik fervent Facebook gebruiker ben, in geen van beiden en hoop op een snelle verwezenlijking van de visie van dataportability.org.

Verder werd gister geopperd dat de Digitale Collectie Nederland gewoon via Google vindbaar zou moeten zijn,  maar dan wel via een eigen tabje “cultuur” of een eigen URL als “Culture.google.com”. Bijkomend voordeel: je hoeft niet wéér een eigen profiel in te vullen en je voorkeuren op te geven, Google weet toch al alles van ons.

Hier werd ik erg blij van – niet van dat Google alles over ons weet, maar dat er vraag is naar ruime vindbaarheid van erfgoedcollecties op het web. Want kort geleden hadden we het hier intern nog over DE BASIS, een set van minimale eisen aan digitale collecties die waarborgen dat elk apart project toch bijdraagt aan de nationale infrastructuur – dus aan de Digitale Collectie Nederland. Wat er nog ontbreekt is een gemeenschappelijk dienst die deze data ook gebruikt.

In Engeland hebben ze daarvoor overigens Culture Grid. Collections Trust realiseerde zich dat de data van musea, archieven en bibliotheken bij elkaar gehaald en uniform aangeboden moeten worden aan mediapartners en partijen als Google. Geheel naar het motto: “samen sta je sterker” en “de gebruiker staat centraal”.

Culture Grid Video

Ook Europeana gaat die richting op, maar is nog zoekende in de auteursrechten kwestie. Reden om bij de volgende bijeenkomst van #INE (de hashtag van het Erfgoed Innovators Netwerk op Twitter) aandacht aan auteursrechten en Creative Commons licenties te besteden. En ja, ik zal er weer bij zijn, want dit smaakte naar meer!

Tags , , ,

Fotoleren met z’n allen

27-04-2010 | Marco Streefkerk
Vorige week de kick-off van nog een Digitaliseren met Beleid project wat DEN in de uitvoering wat nader wil volgen. ‘Iedereen kan fotograferen’ is een project van het Nederlands Fotomuseum (NFM) met als doel betere kennis in de maatschappij over de fotografie. Als middel wordt een platform ontwikkeld onder de naam fotoleren.nl. Op het platform stellen fotografie-instellingen content ter beschikking ten behoeve van educatieve toepassingen en het breed publiek. De content wordt automatisch opgehaald bij de leveranciers via harvesting. Docenten en educatieve diensten kunnen de content gebruiken in de weblessentool, software waarmee eenvoudig educatieve toepassingen kunnen worden gemaakt en gedeeld. De content op het platform moet eenvoudig herbruikbaar zijn elders, bijvoorbeeld op Hyves. Het project wil de Fotografische Collectie Nederland als voorbeeld stellen voor cultuureducatie van het brede publiek, vandaar de bijzondere belangstelling vanuit DEN.

Verschillende vraagstukken van project vormen een puzzel

De mate van succes van het project hangt in belangrijke mate af van duurzame onderlinge samenwerking tussen fotoarchieven/musea. Het NFM is van mening dat er eigenlijk een sectorinstituut voor fotografie zou moeten zijn en het NFM wil deze rol officieus bekleden. Met de portals www.fotografen.nl en www.fotografiebibliotheek.nl geeft het NFM invulling aan die ambitie.

Het initiëren en beheren van het educatieve platform ziet men ook als taak van een sectorinstituut. Maar zonder officiële status (en eventuele financiering) moet het NFM collega-instellingen overtuigen van de meerwaarde die deelname aan het project en het beoogde platform biedt. Daartoe is natuurlijk vooraf al overlegd over de vorm en inhoud van het projectplan. Hoewel je zou kunnen zeggen dat de Fotografische Collectie Nederland ruim twee ton heeft gekregen voor het versterken van de digitale dienstverlening, is de werkelijkheid dat het NFM de subsidie heeft gekregen met daaraan gekoppeld de verplichting om 35% van de projectkosten zelf te investeren. De andere instellingen hebben weliswaar interesse getoond, een aantal worden ook in het plan genoemd, maar ze dragen geen verantwoording voor de uitkomsten, noch hebben ze formele bevoegdheden om de uitkomsten mede te bepalen.

Dat was echter niet de insteek van projectleider Boudewijn Ridder bij de eerste bijeenkomst waar vijf Nederlandse en een Vlaamse fotografie-instelling met fotografische collecties vertegenwoordigd waren. Nadrukkelijk was de boodschap: het projectplan laat nog veel ruimte voor input. Na een introductie van het huidige plan werd er informeel van gedachten gewisseld tijdens de lunch. Omdat de aanwezigen vooral werkzaam zijn bij educatieve diensten ging de discussie als vanzelf over de gevolgen van deelname in het project voor de eigen werkzaamheden. Daarin zitten natuurlijk grote verschillen. Opvallend overeenkomst vond ik dat de praktijk bij de educatieve afdelingen sterk gericht is op de tentoonstellingen. Tentoonstellingen vormen de aanleiding voor het maken en aanbieden van educatief materiaal, er is ruimte in het tentoonstellingsbudget en het educatieve materiaal richt zich primair op meer bezoek aan de tentoonstelling (bv in de vorm van schoolklassen). Mede als gevolg daarvan zijn digitale uitingen vaak ondersteunend aan het fysieke bezoek en het gebruik van analoge diensten aldaar.

Terecht werd  de vraag gesteld of de resultaten die ‘Iedereen kan fotograferen’ oplevert, wel inspelen op een gebruikersvraag. Natuurlijk zullen de meeste docenten pas het belang van de nieuwe dienstverlening begrijpen als het wordt aangeboden en ze het gaan gebruiken. (vgl. quote toegeschreven aan Henry Ford: If I had asked people what they wanted, they would have said faster horses.) Maar je moet je wel verdiepen in de problemen bij beoogde doelgroepen en hun bestaande behoeften. Daarbij is meteen het belang van samenwerking duidelijk: geen van de instellingen heeft de beschikking over een grootscheeps doelgroepenonderzoek, maar allemaal hebben ze kennis over gebruikers. Combineer die kennis en je hebt een betere basis om dienstverlening te ontwikkelen, te beginnen met fotoleren.nl.

De potentie van samenwerking zou, vind ik, ook de achterliggende motivatie kunnen zijn om gezamenlijk het project te doen.  Het rapport Business Model Innovatie Cultureel Erfgoed geeft tal van voorbeelden hoe samenwerking de positie van de sector en individuele instellingen daarbinnen kan versterken. Het bijzondere van ‘Iedereen kan fotograferen’ is de beoogde samenwerking in dienstverlening, in de front-office, waar over het algemeen de voordelen van samenwerking in de back-office makkelijker realiseerbaar worden geacht. Aan de andere kant als fotoleren.nl door veel instellingen omarmd wordt dan kan dat werken als katalysator om ook in de aanlevering krachten te bundelen, bijvoorbeeld op het gebied van digitale duurzaamheid.

Bij een succesvol project valllen alle puzzelstukjes op hun plaats.

Voor die, meer strategische, argumenten zal het NFM ook met de beslissers binnen de fotografie-instellingen van Nederland om de tafel moeten. Hoe groot is het belang van de Fotografische Collectie Nederland? En hoeveel van onze onafhankelijke positie als erfgoedinstelling willen we opgeven om uiteindelijk als samenwerkingsverband beter in staat te zijn om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan? Een vergelijking van de afzonderlijke informatieplannen zou daarbij kunnen helpen. Het project vormt een belangrijk opstapje maar ook een toetssteen of overlappende beleidsvoornemens ook daadwerkelijk samen kunnen worden gerealiseerd.
Tags , , ,

Stemmen van het verleden

23-02-2010 | Jeroen van der Vliet

De website Voices of the Past wil – via allerlei sociale media – erfgoedinstellingen stimuleren sociale media zelf in te gaan zetten bij hun belangrijke werk. Of zoals zij het zelf omschrijven:

to help inspire the advancement of heritage values in our society using today’s online communications tools known as social media

Interessant zijn vooral een serie interviews met verschillende heritage bloggers. Daarnaast biedt de website handige overzichtjes wat er zoal aan sociale media zijn en hoe daar met het oog op erfgoed gebruik van te maken. Website komt misschien een tikje tè Amerikaans over, maar is zeker een bezoekje waard.

Tags ,

DEN@PICNIC

28-09-2009 | Marco Streefkerk

Vorige week heb ik drie dagen buiten de deur genoten bij not your ordinary PICNIC 2009. Een hele belevenis! Een conferentie met eromheen een festival of een festival met inhoud, afhankelijk van hoe je je aanwezigheid invult. Afgaande op de vaak overvolle zalen, is Picnic voor de meeste bezoekers toch gewoon een driedaagse conferentie, met meerdere parallelle lezingen, met heel veel informatie en koffie- en lunch pauzes om standjes te bezoeken en te netwerken. Hieronder een paar persoonlijke herinneringen:

The privacy paradox
Op het Web 2.0 en de sociale netwerken daarbinnen is gebruikersparticipatie essentieel. Iedereen is niet alleen consument maar ook producent van data. We maken onze kennis, onze mening en onze persoonlijke kenmerken inzichtelijk voor andere gebruikers en daarmee wordt de webervaring rijker. Zeer relevant voor de erfgoedsector waar internet een onbeperkt medium vormt voor interactie rond collecties en hun context tussen de professionals bij de instellingen en het publiek van scholieren, wetenschappers, hobbyisten en persoonlijk betrokkenen.

Maar de enorme hoeveelheid persoonlijke data vormt ook een digitale schaduw van onszelf die we als een gevaar voor onze privacy beschouwen, zeker als informatie van verschillende sites kan worden gecombineerd.

Bernard Joffe van +8* voegde nog een extra dimensie toe aan dit spanningsveld tussen fysiek en virtueel. Het menselijk gedrag op sociale netwerken is dusdanig voorspelbaar dat computers of bots, daar al aardig in participeren.

Op die manier krijgt het idee dat iedereen op internet een andere persoonlijkheid kan aannemen opeens een nieuwe betekenis: on the internet nobody knows you’re a bot. Met websitebeheerders en bots die er op uit zijn om zoveel mogelijk van ons als gebruikers af te weten, is volgens Joffe sprake van een digital panopticum refererend aan gevanigenisbouw waar het centrum alles ziet zonder dat de gevangenen dat zelf weten. Voorzichtigheid is dus geboden want online reputation is the currency of the next decade.

Christiaan van’t Hof van het Rathenau Instituut, dat de effecten van wetenschap en technologie op onze samenleving onderzoekt, bood een oplossingsrichting met zijn voorstel om niet te spreken van privacy maar liever van identity management. Beheer van de eigen identiteit klinkt positiever dan privacy en impliceert ook eigen inbreng. Beheer van identiteit is een technisch vraagstuk maar belangrijker nog een sociaal. Van ‘t Hof sprak over ‘handel’. Persoonlijke gegevens zijn waardevol en wie ze op internet wil hebben, moet daar iets tegenover stellen. Naast wederkerigheid is ook vertrouwen een voorwaarde voor de handel in persoonlijke gegevens. Om nu te voorkomen dat je op internet met elke sociale applicatie een vertrouwensband moet opbouwen, ziet van ‘t Hof een rol voor trusted service managers: onafhankelijke bemiddelaars. Als alternatief voor het panopticum sprak van ‘t Hof van een synopticum: identity management als een netwerk van relaties tussen partijen die elkaar vertrouwen. Centraal versus gedistribueerd, hmm… waar ken ik dat van?

The time paradox
YouTube Preview Image Kinderen alleen laten met snoep en de opdracht om er af te blijven klinkt gemeen, maar is een psychologisch experiment dat volgens professor Zimbardo van de Universiteit van Stanford een indicatie geeft voor de mate van succes in het leven. Zimbardo maakt een onderscheid tussen orientatie op het verleden, het heden en de toekomst en stelt dat deze drie in verschillende mate bij iedereen aanwezig zijn. Wanneer we ons hiervan bewust zijn en de positieve eigenschappen van elk optimaal weten in te zetten hebben we meer kans op succes. Daarin zie ik een mooie analogie met de activiteiten van erfgoedinstellingen in deze tijd: rijk aan objecten en kennis uit het verleden, met inzicht in de mogelijkheden ervan in de digitale toekomst, in staat om nu bezig te zijn met de daarvoor noodzakelijke digitalisering en innovatie in het dienstenaanbod. Wie benieuwd is naar de eigen orientatie op tijd kan de test van Zimbardo doen.

The PICNIC paradox
Hoewel ik, zoals gezegd, genoten heb van de conferentie, weet ik niet of ik volgend jaar weer zal gaan. Het is zeer inspirerend en motiverend om drie dagen onder gedompeld te worden in innovatie, nieuwe media en geavanceerde technologie. PICNIC heeft mijn overtuiging bevestigd dat de fysieke en virtuele wereld steeds meer met elkaar vermengd worden. Erfgoed als kennissector met een sterke fysiek element in de vorm van de collecties kan in zo’n hybride werkelijkheid bij uitstek renderen.

Tegelijk vond ik het programma nogal versnipperd en miste ik de discussie over toepassing van alle nieuwe mogelijkheden op waardevolle content. Een grotere deelname vanuit de erfgoedsector zou wat mij betreft daarin kunnen voorzien en ik kan zeker de middelgrote instellingen aanraden zich ook eens op een picnic te laten inspireren. Als jullie komen volgend jaar, dan kom ik zeker ook weer. Afgesproken?

Een interview met mij en andere bezoekers van PICNIC 2009 zijn te bekijken in een video-impressie.

Tags , , , ,

Europeana en The Culture of With

24-09-2009 | Annelies van Nispen

Vorige week was het motto van de Europeana Plenary Meeting in Den Haag: “Creation, Collaboration & Copyright“.

Onze buren van Europeana werken hard aan de totstandkoming van een Europese portal waarin het Europees cultureel erfgoed beter zichtbaar en vindbaar zal worden. Maar er is nog veel werk aan de winkel! Europeana werkt met een klein hoofdkantoor (20 mensen) en heel veel Europese erfgoedinstellingen. Dat maakt het organisatorisch ingewikkeld, het is daardoor ook onmogelijk om met elke instelling persoonlijke contacten te onderhouden. Er wordt dan ook hard gewerkt aan een goede technische infrastructuur om dat te ondervangen.

Als inspirerende keynotespeaker was Charles Leadbeater uitgenodigd. Hij sprak over zijn denkbeelden die hij heeft vastgelegd in het boek We Think en The Art/Culture of With. De – even kort door de bocht – boodschap is: denk niet voor of over anderen maar met anderen.

Charles Leadbeater in Den Haag

Charles Leadbeater in Den Haag

The Culture of With gaat o.a. uit van het basisprincipe “Both” in plaats van “Either/Or” (kortom “en/en” in plaats van “en/of”). Wat vertaalt naar cultureel erfgoed zou kunnen betekenen dat het prachtige erfgoed op zoveel mogelijk plaatsen toegankelijk en vindbaar zou moeten zijn, bijvoorbeeld op de eigen website, op thematische of geografische portals, Web 2.0-platforms als Flickr en Wikipedia en natuurlijk de Europese geografische portal Europeana. Probeer niet te denken voor de doelgroep, maar betrek ze er zoveel mogelijk bij. De grote vraag voor veel instellingen (en publiek) is, hoe het Web2.0-potentieel zo te verwezenlijken, dat het voor both (publiek en erfgoedinstelling) beter wordt.

De totstandkoming van een Europese portal blijft een uitermate complex proces en een van de zaken die daarbij een belangrijke rol speelt is het auteursrecht. Mede door Europeana staat auteursrecht nu hoog op de agenda van de Europese Commissie, zie hiervoor ook het artikel over Google en Europees auteursrecht. Europeana is bezig met veel onderzoek op het gebied van auteursrechten, o.a. in het ARROW-project en werkt aan een Public Domain Manifest. Dat laatste laat helaas nog even op zich wachten.

Tot slot, kijk even mee hoe Europeana kan worden …

YouTube Preview Image

Tags , , , ,

Same shit? Wat moeten cultureel erfgoedinstellingen met Web 2.0?

05-02-2008 | Marco de Niet

Marco de Niet, directeur van Digitaal Erfgoed Nederland, gaf op 12 september 2007 een presentatie tijdens de eerste Erfgoedarena, een nieuw maandelijks discussieprogramma dat wordt georganiseerd door de Reinwardt Academie en Erfgoed Nederland.

Tags ,