Publiek Domein?!? Een Charter en een Manifesto

29-04-2010 | Annelies van Nispen

Europeana heeft eindelijk haar Public Domain Charter gepubliceerd (alweer twee weken geleden). Het heeft geruime tijd op zich laten wachten omdat het document veel discussie opriep, met name bij de musea. Maar nu is het er dan toch. Persoonlijk ben ik erg blij dat er in Europa hard gewerkt wordt aan het concept “public domain/publiek domein”, door Europeana’s Charter, maar ook door het Europese Thematic Network Communia dat een Public Domain Manifesto heeft geschreven. Het Charter is voor een groot deel op dit Manifesto gebaseerd.

Wat is public domain/publiek domein?
Het concept Public domain wordt door Communia en Europeana toegepast op, (digitaal) Cultureel Erfgoed dat:

  • niet meer onder auteurswetgeving valt, omdat de termijn (70 jaar na overlijden rechthebbende) is verstreken
  • vanwege zijn aard, bijv. overheidsinformatie, valt onder Public Domain/Publiek domein en openbaar toegankelijk is/moet zijn.

Waar gaat de discussie over?
Er bestaat onder erfgoedinstellingen een zekere terughoudendheid en wellicht ook angst dat Public Domain/Publiek Domein betekent dat zij hun digitale collecties gratis en voor niets moeten weggeven aan wie maar wil, dat derden dit commercieel kunnen/zullen exploiteren en dat instellingen hun eigen inkomsten uit verkoop van (hi-res) digitaal materiaal zullen verliezen.
Deze discussie raakt ook aan innovatie van businessmodellen van instellingen.

In het Charter van Europeana staat dan ook expliciet opgenomen dat het niet bedoeld is om instellingen commerciële exploitatie van publiek domein materiaal te bemoeilijken. Een mogelijkheid is bijv. alleen lo-res materiaal beschikbaar te stellen voor openbare toegankelijkheid en hi-res materiaal te verkopen. De discussie over eventueel verlies van inkomsten wordt bemoeilijkt door ontbrekende cijfers over hoeveel inkomsten instellingen overhouden aan de verkoop van digitaal materiaal. De mensen die ik erover spreek geven meestal aan dat het “peanuts” is.

In de VS waar het concept Public Domain veel sterker leeft is al veel aandacht besteed aan gebruikersvoorwaarden/licenties. Een voorbeeld hiervan zijn de user guidelines van NASA die een onderscheid maken tussen commercieel en niet-commercieel (her)gebruik. Bij deze wil ik instellingen oproepen een reactie achter te laten!

Waarom een Charter en een Manifesto?
Waarom maken mensen zich toch zo druk over Publiek Domein? Het Charter en het Manifest zijn beide geschreven vanuit het perspectief dat het uitermate belangrijk is voor onze maatschappij – de burgers, onderwijs en wetenschap, kortom de kenniseconomie en kennismaatschappij – dat de bronnen waarop onze maatschappij is gegrondvest zo breed mogelijk toegankelijk zijn. Ons gezamenlijk verleden en cultuur, bewaard door de “memory institutions” moet geraadpleegd kunnen worden.

Dit kan binnen de muren van de instelling, maar het internet is voor de meesten tegenwoordig de belangrijkste bron van informatie. Cultureel erfgoed moet gevonden worden. Dit kan op de eigen website van de instelling, maar dit kan ook binnen grote portals als bijv. Europeana of Wikipedia/media die voor een bredere verspreiding kunnen zorgen.

Het Charter & het Manifesto zijn bedoeld om het debat op gang te brengen. Ik hoop van harte dat het gebeurt!

Tags , , , , ,

Museums and Social Web

22-04-2010 | Annelies van Nispen

Het was een memorabel Museums & the Web, de laatste dag stond ook voor een deel in het teken van de gestrande Europeanen. Alle middelen werden ingezet om Europeanen onderdak te geven, een hart onder de riem te steken. Dat was een troost.

Organizing support for Europeans

Organizing support for stranded Europeans.

Twitter was en is het belangrijkste communicatiemiddel om met elkaar in contact te blijven. De hashtags vlogen je om de oren #mw2010, #mw2010#strandedeuropeans, #Denver#stuck#mw2010, #dutchindenver. Maar ik heb nu aan de lijve ondervonden hoe belangrijk social media voor me zijn, met de nadruk op Social. Het is een erg fijn medium om met elkaar en als netwerk informatie, nieuwtjes en wat al niet uit te wisselen. Ik ben zelf nog totaal immobiel, dus ik twitter alleen vanuit mijn nieuwe kantoor; de lobby van het Sheraton hotel mét gratis wifi.

Gestrande congresgangers in de hotellobby.

Maar voor de mensen met een iPhones, Blackberry’s e.d. is 4sq een medium om locaties door te geven. Het eerste wat ik ga doen in Nederland is een iPhone bestellen.

Maar MW2010 heeft laten zien hoe sociaal het web en nieuwe media kunnen zijn. En dat is mijn belangrijkste slotconclusie van het congres en de unconference. Social media + community = things to do in Denver when you are stuck!!! (en daarna natuurlijk in NL unstuck)

Tags ,

MW2010 – Slotdag van de conferentie

21-04-2010 | Annelies van Nispen

Op de vroege ochtend ben ik begonnen met één van de twee interactions van het Victoria and Albert Museum (V&A), deze ging over ‘delivering gallery interactives using Web Technologies’. V&A’s Eric Bates vertelde hoe webtechnologie (API’s) en XML (really simple!) het mogelijk maken om de collecties ook in het museum op interactives te presenteren. Simple en XML zijn de sleutelwoorden en zijn stopwoorden. Als de collectie en (meta)data in XML staat is elke mogelijk verschijningsvorm mogelijk, als website “search the collections”, maar ook als interactive gallery, audiotours, touchscreen audio points etc. in het museum. Uitermate praktische tips: Ontwikkel applicaties op zo’n manier dat verandering altijd mogelijk is, kijkt uit voor vendor-lockin, documenteer goed en zorg in je contracten dat je het eigenaarschap hebt.

Daarna de sessie Tales of the unexpected, wat wel gezegd kan worden van deze conferentie en de nasleep inderdaad. Maar deze sessie ging over redesigning van websites en de problemen waar elke organisatie tegenaan loopt. Het ei van Columbus is toch flexibel kunnen blijven onder alle moeilijkheden en dat is “standaard” bij elke herzieningsproces.

Een van de hoogtepunten van MW2010 kwam na de pauze het SOCIAL MEDIA CIRCUS: Reconstructing the Elephant. Met muziek, show and acht mini-presentaties onder leiding van spreekstalmeesters Seb Chan & Jane Finnis werd de olifant gereconstrueerd.

Het Liberty Science Center is gestart met social media over cooking en dat werd zo’n groot succes dat de museummensen regelmatig eten opgestuurd kregen. Het Science Center houdt elk jaar een Web mashup competition. Dit is nog niet een heel groot succes, omdat het met name geeks trekt. Het Smitsonian Institute vertelde hoe social media het werk en het personeel veranderden. Natureplus is een leuk initiatief van het Natural History Museum om een gepersonaliseerde interactieve toegang tot de fysieke en de digitale collectie te geven.
Het Powerhouse Museum vertelde over hun Commons meet-up (een echte ontmoeting van mensen die hebben bijgedragen of betrokken zijn bij de fotocollecties op Flickr Commons) en Powerhouse Museum vertelde in een andere presentatie ook hoe hun personeel omgaat met social media, net als bij het Smitsonian. Zo was de eerste reactie op de eerste blogpost van haar trotse moeder, “but hey, all curators got mums right!”

Sue Black vertelde hoe ze met bloggen en twitteren probeert Bletchley Park, het park waar in de Tweede Wereldoorlog de Duitse geheime code werd gebroken, te redden. Ze krijgt al veel media aandacht, maar haar social media kregen met name een vlucht/spin-off toen ze door Stephen Fry werd opgepikt.

Tot slot het National Maritime Museum dat Flickr gebruikt voor hun wedstrijd: Astronomy Photographer of the Year. Rode draad in alle presentaties was de overweldigende belangstelling en betrokkenheid van het publiek. En dat veel mensen in de organisatie nog moeten wennen aan deze nieuwe media en het directe contact met het publiek.

De sessie over Athena stak bleek af na het circus en helaas waren er maar weinig toeschouwers. De importtool voor metadata was interessant, maar daar zou ik graag mee willen experimenteren.
De volslagen hyperactieve directeur new media & web strategy van het Smitsonian vertelde over hoe de wiki strategie en tool tot strategievorming was.

David Bearman sloot het congres af met oa de constatering dat veel musea nog steeds grotendeels in hun “silo” vastzitten en dat er nog steeds veel barrières zijn die kunst & cultureel erfgoed binnen de (digitale) muren van de musea houden. Daarover volgend jaar meer! Morgen over hoe social media ineens ook heel erg belangrijk voor mijzelf werden!

Tags ,

MW2010 – Vrijdag: Demonstrations, Exihibtions and Commons

20-04-2010 | Annelies van Nispen

Vrijdag was een dag van demonstraties en exhibits en the Best of the Web awards die ook hun projecten presenteerden. Helaas werd de dag geplaagd door moeilijke toegang tot het internet en dat was jammer. Er waren veel stands van collectiemanagement firma’s. Daarnaast ook bedrijven die mobiele applicaties voor musea ontwikkelen. Vanuit Nederland waren Adlib & Sterna vertegenwoordigd. Adlib presenteerd oa de Rembrandt database van het RKD.

Er waren veel leuke projecten te zien, maar het langste ben ik toch stil blijven staan bij de Search the Collections van Victoria & Albert Museum. Een zoekinterface die je heel intuïtief laat browsen en heel veel informatie over de objecten laat zien.

Na een frisbee sessie in het park met Nina Simon de sessie met vraagteken, oa georganiseerd door het Smitsonian:

Should We Be Organizing a Museum Commons?

“The Commons” refers to resources that are held in the public sphere for the benefit and use of everyone”.
De uitgangspunten voor de discussie waren: harmony with mission, the public domain, user experiende, economies of scale, a better collaborative model, innovation & knowledge creation, a better business model, more responsive to needs/expectations of digital natives, Whose collections are they, anyway?, Helping our peer organizations.

Dit vertaalde zich meer praktisch als volgt:
Federated: assets from separate databases or repositories are presented are presented together, irrespective of what organization or department they came from
Designed for users: toolsets to allow specific user groups to effectively use the combined collections and data
Findable: search and findability are strongly empasized
Shareable: the architecture of the commons emphasizes persistent URL’s and linking/embedding tools that enable and encourage sharing
Reusable: Intellectual property policies are uniform and clearly stated
Free: assets are free to access and use
Can bulk be downloaded: the commons platform provides for bulk download of assets
Machine readable: assets are presented in machine readable formats
High resolution: assets are made available in high resolution and not unnecessarily restricted
Available for collaboration without control: the commons platform, through a combination of the attributes above, enables collaboration and research without the necessity of formal contracts or agreements
Open to Network effect: commons platforms are designed to take advantage of network effects form user contributions
In the Public domain: particularly for collecting institutions, understanding and advancing the public domain is, or should be, a core activity.
Ik ben erg benieuwd wat Nederlandse musea hiervan vinden.

Website van de dag: Whitney Museum heeft een serie internet art voor hun website laten ontwikkelen. Deze verschijnt op hun website tijdens zonsopgang en zonsondergang in NY.
Woorden van de dag: #ashtag en Stuck
Het werk gaat ook door in Denver: een unconference sessie over mobile games

Tags ,

And the winner is …

17-04-2010 | Annelies van Nispen

Best of the Web 2010 is …

Artbabble

De winnaars in de andere categorieën:

Education: Moma meet me making art accessible to people with dementia
Exhibitions: Moma Bauhaus
Honorable mention Philaplace
Innovation/Experimental: Solar storm watch van de royal observatory greenwich
Long-lived: Culture24
Museum professional: Museummarketing.org
Podcast (audio/video): NMA audio on demand program
Research: V&A search the collections
Social media: Museu Picasso online community
Small: Dulwich on view
Community voted: Make History National9/11 Memorial.

Tags ,

MW2010 DO or DO NOT

16-04-2010 | Annelies van Nispen

De conferentie begon vanochtend met Brad Feld, een investeerder in oa start ups die de aanwezigen op geheel Amerikaanse wijze vertelde Just do it! (Helaas had ik mijn Nike-sokken net niet aan).

We moeten risico’s durven nemen, niet bang zijn voor (volkomen) mislukkingen, uit de comfort zone, niet binnen de 4 muren van de musea blijven hangen en alleen met de collega’s praten. Denk aan de toekomst (dit kan oa door het lezen van Science Fiction, aldus SF-fan Brad) en dan de oneliner die mij met mijn permanent access focus zeker aanspreekt:

Play a long term game with a short term focus.

Ook is er altijd geld voor een goed idee, maar je moet er wel om vragen. Alleen kreeg niemand van de aanwezigen de kans om dataan Brad te vragen, want Brad was on a tight timeschedule. Maar voor wie goede ideeën heeft en geld nodig, hier het emailadres: Brad@feld.com.

Omdat ik erg geïnteresseerd ben in met name technische aspecten, zal mijn blog helaas (voor sommigen) daar de nadruk op leggen. De sessie Tag/Search/Deploy begon met Aaron Straup Cope die in een vorig leven voor Flickr werkte en oa. vertelde over Galleries. Hierbij mag de (amateur)curator uit de overvloed van Flickr niet meer dan 18 keuzes maken. Selectie!

De volgende spreker Nate Solas sprak over “findability” en daar zijn we bij DEN natuurlijk een grote fan van. Hij analyseerde gebruikte zoektermen door gebruikers van de website, deze termen vertaalde hij naar concepten/classificaties/facetten. Het bleek dat een groot deel van de mensen op artist name zocht. Maar de meeste zoden aan de dijk zette het maken van een sitemap voor Google, waardoor Google de site en de collecties beter kan crawlen & indexeren. De gebruikscijfers gingen van 2000 naar 70.000 hits. Wat de macht van Google maar weer eens aantoont en iedereen die nog geen sitemap heeft …

Joe Dalton van de New York Public Library vertelde hoe de NYPL de Flickr-fotocollectie beter probeert te ontsluiten. Daarbij gebruiken ze hun gestructureerde metadata die ze hebben omgezet naar tags. Dit wordt gecombineerd met user-generated tags. Deze worden geanalyseerd, bijv. op patronen. De NYPL is erg blij met het resultaat omdat het de oude beschrijvingen heeft verrijkt en het veel gebruikers heeft betrokken bij de collecties.

In de middag Artbabble! Rob Stein vertelde over een jaar Artbabble, en site met video over kunst. O.a. vertelde Rob over Artbabble & Youtube. De meeste deelnemende musea hebben ook een eigen Youtube-kanaal. Het aantal hits was op Youtube voor de meeste musea groter. Maar verdere analyse liet zien dat het andere doelgroepen betreft en dat de twee videokanalen dus complementair zijn. Verder vertelde Rob dat ze bij de lancering een hype hebben geprobeerd te creëren, waarbij de marketingtechnieken van Google en Apple als voorbeeld dienden (informatie uitlekken, invitations uitdelen en die mensen die veel anderen uitnodigen via hun networks meer betrekken, viral marketing). Dat bleek een goede zet. Een andere belangrijke succesfactor: gratis deelname van partners! Een kleine teleurstelling was dat de commentaar/annotatiemogelijkheid nauwelijks werd gebruikt door het publiek.

Eric Miller (ik ben inmiddels fan van hem geworden) gaf een voorproefje van het project Recollection dat zijn bedrijf Zepheira i.s.m. de Library of Congress en NDIPP ontwikkelt. Het wordt een lichtgewicht platform waarbij de 180 partners van NDIPP hun collecties kunnen uploaden, publiceren, hergebruiken en op allerlei manieren doorzoekbaar kunnen maken en probeert dit te combineren met social networkfunctionaliteit. Waar mogelijk promoot ik de term Permanent Access en dit platform heeft de belofte dat het Accessibility sterk kan verbeteren en met name voor de wat kleinere instellingen. Het project is nu nog in (besloten) Beta, maar ik ga het zeker volgen.

Eric vertelde ook dat Captcha, die kleine boxjes tekst die je moet overtypen, binnen een jaar het hele corpus van The New York Times hebben getranscribeerd. Elke stukje tekst is een slechte OCR. Met 20 miljoen hits per dag bij grote commerciële sites gaat het snel. Ik dacht dat Google Captcha inmiddels heeft opgekocht. Dat lijkt me een goede investering met het Google Books Project.

De dag heb ik besloten in andere dimensies, namelijk de 3D & virtual reality. Helaas had ik de presentatie van het NAI gemist, die oa hun Augmented reality-project presenteerde. Fraunhofer Gesellschaft vertelde over hoe ze een 3D-installatie van Beethoven hadden gemaakt en hoe ze in de Villa Borghese de Bernini-beelden virtueel hebben gemaakt (’s nachts duizenden foto’s gemaakt en deze virtueel gereconstrueerd). National Portrait Gallery of Australia heeft in second life een virtueel museum/tentoonstelling gemaakt met born digital art. 3D-navigatie is op dit moment nog lastig, maar dat zal zich in de nabije toekomst wel gaan oplossen, m.n. van de gaming industrie wordt het een en ander verwacht.

Woord van de dag: Roundtripping (informatie van musea naar web (bijv. Flickr of Wikipedia) en weer ge-update terug naar de lokale systemen).

Woord van de maand: Memory Institutions, dit woord vat heel mooi samen wat de missie is van Archieven, Musea en Bibliotheken. Als iemand een mooie vertaling heeft, houd ik me aanbevolen.

Website van de dag (maar vanavond wordt de Best of The Web uitgereikt) SFmoma’s prachtige visuele interface Artscope.

Tags ,

Wikimedia@mw2010

14-04-2010 | Annelies van Nispen

Museum & the Web 2010 begon met een dag gewijd aan Wikimedia en musea. Deze ontmoeting kwam mede dankzij het initiatief van de wiki-community die graag met musea wil samenwerken. Het is lastig een lange dag samen te vatten in een korte blogpost, maar bij deze.

Waarom investeren in samenwerking met Wikipedia/media?

1 reden: PUBLIEK.

U kent ze wel de artikelen en rapporten, die vaak op verontruste toon, vertellen dat Wikipedia voor veel scholieren, studenten en misschien ook wel voor u en mij een zeer belangrijke bron van informatie is. Het zou goed zijn als musea, archieven en bibliotheken investeren om de informatie op Wikipedia/media over hun collecties en/of (top)stukken zo betrouwbaar en informatief mogelijk te maken.

De musea in de zaal die al samenwerkten met Wikipedia/media, bijvoorbeeld het Victoria & Albert museum vertelden dat hun online bezoekcijfers sterk waren gestegen. Tijdens een eerdere bijeenkomst deelde het Bundesarchiv ook deze positieve ervaringen met samenwerking en een sterk toegenomen gebruik van hun fotomateriaal. Een ander voorbeeld dat werd gegeven was de Steen van Rosetta, die op Wikipedia veel meer wordt opgevraagd dan bij het British Museum.

Wikipedia/media wil graag hoogwaardige fotomateriaal en beschrijvingen van museale objecten. Dit kost tijd, inspanning van de musea. Dit moet in verhouding staan tot de opbrengsten voor het musea. Een groot deel van de dialoog ging over hoe de “return on investment” zo hoog mogelijk kan zijn voor musea. Zeker met de overvloed aan andere webinitiatieven waar ook in geïnvesteerd kan worden. En niet alle samenwerkingen zijn even succesvol of een lang leven beschoren, zoals bijv. Flickr The Commons.

Samenwerking is voor de educatieve afdelingen van musea zeker het overwegen waard. Het publiek is massaal te vinden op Wikipedia/media en de wikimensen willen graag gaan samenwerken aan educatieve projecten.

Voor hoogwaardige beschrijving is samenwerking met curatoren en registratoren noodzakelijk. Voor veel mensen in de zaal werd dit punt als “a challenge” gezien. De werkwijze van Wikipedia en veel curatoren lopen nogal uiteen. Om dit verschil te overbruggen werden buddies genoemd, of aparte samenwerkingsverbanden tussen curatoren en ervaren wiki-editors.

Ook het opzetten van een e-volunteer programma, bijvoorbeeld om Wikipedia te bewerken, zijn goede suggesties om “return on investment” te krijgen.

En dan is er natuurlijk de technische afstemming. Hoe kan een collectie digitale objecten maar ook de metadata zo makkelijk mogelijk worden opgenomen in Wikipedia? Daarbij kwamen ook persistent (of strong) identifiers aan de orde. “We need a MOI!”, aldus Jonathan Bowen die pleitte voor een Museum Object Identifier.

Het is voor de meeste erfgoedinstellingen zeer belangrijk dat een verbinding blijft met het digitale object (waar dat zich ook moe bevinden) en de instelling waar het object is. Een “trackingsysteem” voor digitale objecten spreekt veel erfgoedinstellingen aan omdat dit het gebruik van hun materiaal in kaart kan brengen. Die is er op dit moment helaas nog niet.

Belangrijk punt voor “return on investment “ is de synchronisatie van informatie voor zowel Wikipedia als voor het museum. Wikipedia/media moet geüpdate informatie van het museum krijgen en omgekeerd zou ook het musea veranderingen die plaatsvinden op Wikipedia/media terug moeten krijgen naar de eigen systemen. Gesproken werd ook over de gezamenlijke ontwikkeling door Wikipedia/media en musea van templates voor beschrijving, bijvoorbeeld van schilderijen, materialen, biografieën, etc.

En hoe ontwikkel je een goede zoekmodule? Bijvoorbeeld als iemand onderzoek doet naar Romeinse munten, dan wil die persoon waarschijnlijk graag afbeeldingen van de munten en een lijst van alle musea waar deze munten zich bevinden. Hoe krijg je deze informatie uit Wikipedia/media?

Veel is de revue gepasseerd, o.a. ook het nieuwe project Wiki saves public art. In Nederland begint de samenwerking tussen erfgoedinstellingen en Wikimedia te komen. Een mooi voorbeeld is het Tropenmuseum. En er is nog meer gaande, vertelde Maarten Dammers van Wikimedia Nederland mij en daarover binnenkort meer.

Op de Twitter van MW2010 kunt u het congres realtime volgen. Omdat multitasken niet een van mijn talenten is, geen DEN-twitter uit Denver. Maar hou dit blog in de gaten en de MW2010-website, die alle blogposts probeert te verzamelen.

Tags ,

Virtuele musea

30-03-2010 | Jeroen van der Vliet

“Voorbij het plaatje met het praatje”. Met dat motto organiseerden het Scheepvaartmuseum en DEN afgelopen donderdag de goed bezochte studiemiddag Virtueel Museum. Verschillende musea in Nederland zijn in de weer met het concept van “virtueel museum”, waaronder het Scheepvaartmuseum zelf. Er is de nodige begripsverwarring. Want wat is eigenlijk een virtueel museum?

Voor de gelegenheid waren vijf sprekers bijeengebracht. Als eerste was Martijn Stevens van de Radboud Universiteit Nijmegen gevraagd om een nadere begripsbepaling te geven. Stevens is onlangs gepromoveerd op de invloed van digitalisering op kunstmusea. Zijn standpunt is dat “een website een volwaardig kunstinstituut moet zijn” en dat sluit naadloos aan bij het motto “voorbij het plaatje met het praatje”. Vervolgens werkte hij de verschillende onderdelen van de definitie nader uit: wat verstaan we onder virtueel, museum en een virtueel museum? Bepalen wat een museum is lijkt nog het eenvoudigst, aangezien kan worden verwezen naar de definitie die de ICOM daarvoor geeft, maar wie dat wil uitbreiden naar virtuele musea verzeilt toch snel in nieuwe, semantische discussies.

“Museum. A museum is a non-profit, permanent institution in the service of society and its development, open to the public, which acquires, conserves, researches, communicates and exhibits the tangible and intangible heritage of humanity and its environment for the purposes of education, study and enjoyment.”
definitie van het begrip “museum” door ICOM

Verhelderend werkten de vier praktijkstudies, musea die al bezig zijn in meer of minder gevorderd stadium om een virtueel museum uit te bouwen. Ernst van Keulen toonde de plannen voor MijnScheepvaartmuseum.nl. Ita Amahorseija vertelde uitgebreid over de ervaringen van de Anne Frank Stichting en het Achterhuis Online, dat op 28 april officieel gelanceerd zal worden. Neeltje Wessels liet zien hoe het Armando Museum de Wereld van Armando naar het web wil brengen. Marieke Oudheusden ging tenslotte in op de iPhone app die het Graphic Design Museum uit Breda heeft ontwikkeld.

Het zijn vier totaal verschillende benaderingen van het zelfde concept virtueel museum. Waar MijnScheepvaartmuseum.nl sterk inzet op de maritieme beleving en het doen van onderzoek, zoekt de Anne Frank Stichting vooral een plek waar een bezoeker in zijn eigen tempo door het Achterhuis Online kan lopen. Met de lange rijen voor het “echte” Anne Frank Huis is dat geen vreemde gedachte. Daar komt nog bij dat het virtuele Achterhuis kan worden ingericht zoals het was in de oorlogsjaren, iets wat Otto Frank absoluut niet wilde dat zou gebeuren met het echte Achterhuis. Hoewel het Armando Museum in 2007 afbrandde, bestond het idee voor een virtueel museum al veel langer. Vooral om de rijke en complexe ideeënwereld van de naamgever recht te doen. In een fysieke tentoonstelling is dat niet mogelijk, in een webtentoonstelling kan dat wel. Het Graphic Design Museum laat zien dat een virtueel museum ook het fysieke museum kan versterken. De iPhone app werkt in en buiten het museum zelf. Het voordeel van het gebruik in het museum is dat de app “weet” waar de bezoeker zich bevindt en daar de informatie op aanpast.

Doelen van de bijeenkomst waren om niet alleen te komen tot een bruikbare definitie, maar ook de mogelijkheden voor de bezoeker en de mogelijke obstakels binnen het museum als organisatie in kaart te brengen. Uit de grote opkomst, twee keer zo veel als verwacht, blijkt daaraan grote behoefte te bestaan in de museumwereld. DEN en het Scheepvaartmuseum zullen snel met een vervolg komen. Daarnaast wordt ook gewerkt aan het opzetten van een speciaal kennisnetwerk.

De presentaties van de sprekers en een uitgebreid verslag van de bijeenkomst zijn te vinden op de website van het Scheepvaartmuseum.

Tags

Ter gelegenheid van de lancering van de online collectie van het Amsterdams Historisch Museum

09-03-2010 | Marco de Niet

[praatje gehouden bij de lancering van de Collectie Online van het Amsterdam Historisch Museum, 4 maart 2010]

Dames en heren,

U verwacht misschien dat ik als directeur van DEN, het kenniscentrum dat erop toeziet dat de erfgoedinstellingen goed digitaliseren, nu uit de doeken zal doen of het AHM zijn online collectie technisch verstandig heeft aangepakt, of de goede standaarden zijn toegepast, hoe de kwaliteit is van de afbeeldingen en de beschrijvingen, en of de collectie goed vindbaar is gemaakt. Maar die insteek kies ik vandaag niet. Ik zet een andere pet op. Van huis uit ben ik Neerlandicus en boekhistoricus, en geïnteresseerd in 18e-eeuwse cultuurgeschiedenis. Vanuit die belangstelling wil ik graag een verhaaltje met u delen, op basis van enkele objecten die ik bij voorinzage in de AHM Collectie Online heb gevonden.

In de AHM Collectie Online komt een tekening voor van een jeugdige Arend Fokke met vaandel. Deze persoon heeft een jaar lang mijn leven gedomineerd. Mijn afstudeeronderzoek was namelijk aan hem gewijd.

Arend Fokke Simonsz (1755-1812) is bij u wellicht nog bekend dankzij de Fokke Simonszstraat. Hij was een telg uit een artistieke familie. Hij was zoon van de bekende graveur Simon Fokke, halfbroer van de geschiedschrijver Jan Fokke, kleinzoon van een toneelspeler Arent Fokke. Zelf was hij boekhandelaar, prentenuitgever, redacteur van het dagblad van het Amsterdamse stadsbestuur, privé-leraar, schoolbestuurder, bibliothecaris, archivaris, veelschrijver. Maar hij is vooral bekend gebleven als veelspreker. Daarmee bedoel ik: hij hield veel redevoeringen in Amsterdamse letterkundige genootschappen. Dertig jaar lang heeft Fokke als succesvol spreker zijn Amsterdams publiek vermaakt. Voor zover bekend is hij van minstens twaalf genootschappen lid geweest. Een echte genootschapstijger dus.

Het eerste genootschap dat hem verwelkomde, was Felix Meritis, in 1782. Fokke was ook zeer actief betrokken bij de Maatschappij Tot nut van ‘t algemeen. Hij was mede-oprichter van het Tweede Amsterdamse Departement van de Maatschappij. Van en over beide genootschappen zijn veel objecten in het AHM te vinden.

In de tweede helft van de 18e eeuw bloeide de genootschapscultuur als nooit tevoren. In de periode oktober-mei werden er wekelijks bijeenkomsten georganiseerd, waar de leden met elkaar van gedachten konden wisselen over geschiedenis, cultuur en levensbeschouwelijke onderwerpen. Politiek was in de regel taboe. Maar denk nu niet dat de 18e eeuw een brave, saaie eeuw was waarin de leuteraars de overhand hadden. Gelukkig weten we ook, bij voorbeeld dankzij schilderijen en prenten van Cornelis Troost, dat de 18e-eeuwers ook levensgenieters waren, en dat menige bijeenkomst van gegoede heren eindigde met een hoog gehalte ‘Wein, Weib und Gesang’.

Terug naar Fokke. Hij was zo’n populaire spreker in genootschappen, omdat hij een voordrachtskunstenaar was – hij kwam niet voor niets uit een familie van acteurs. Hij koos ervoor zijn voordrachten aan te kleden met een ‘ironisch-komisch’ sausje. Voor ons is zijn humor niet meer zo aansprekend, maar door zijn originele invalshoek om geschiedenis en filosofie te populariseren, genoot hij in zijn dagen nationale bekendheid.

Naast zijn reguliere optredens werd hij ook door menig genootschap uitgenodigd in te vallen op avonden dat geplande sprekers verhinderd waren. Dat de genootschappen hem hiervoor dankbaar waren, blijkt niet alleen uit het feit dat hij, bij wijze van uitzondering, betaald werd voor zijn voordrachten – we kunnen hem met een gerust hart een broodspreker noemen. Hij werd ook enkele malen benoemd tot erelid vanwege zijn verdiensten. En soms ontving hij bijzondere geschenken van zijn genootschapsvrienden, zoals een fraai kelkglas van Felix Meritis.

Zoals het wel vaker gaat in dit soort verhalen: het liep niet goed met hem af. Hij had een zwakke gezondheid, kon wegens ziekte steeds minder vaak zijn functie op het stadhuis uitoefenen en ontving dus steeds minder salaris. De genadeslag kwam toen hij door enkele opruiende uitlatingen in 1811 uit voorzorg in de gevangenis werd gezet toen Napoleon Bonaparte Amsterdam bezocht. Een jaar later is hij arm en ziek gestorven.

Waarom geef ik u deze korte biografische schets van een van uw 18e-eeuwse stadsgenoten?

Fokke was een kind van de Verlichting. Verheffing door zelfstudie en kennisvermeerdering was voor hem een vanzelfsprekendheid. Alleen zo kon hij een goede burger worden. Zijn talenten zorgden ervoor dat hij als lagere ambtenaar voortdurend in contact kon staan met beter gesitueerden en hoger opgeleiden, die hem baantjes en opdrachten konden bezorgen. Hij wist goed en handig om te gaan met de media uit zijn tijd: boeken, pamfletten, almanakken, tijdschriften, prenten, en dus ook de podia in de genootschappen. Kortom, hij was een 18e-eeuwse sociale netwerker.

De parallellen met de moderne tijd zijn evident.

Fokke hield veel voordrachten over historische onderwerpen, en gebruikte ter voorbereiding daarop bibliotheken, privécollecties en archivalia. Op basis van de  bronnen die hij ter beschikking had, kon hij zijn verhalen vertellen, en zocht hij daar gepaste kanalen bij. Wij gaan anno 2010 niet anders te werk.

Dankzij de voorinzage die ik kreeg ter voorbereiding op dit praatje, ontdekte ik in de collectie van het AHM twee aan Fokke gerelateerde objecten die mij onbekend waren: de tekening van de jeugdige Fokke en de glaskelk van Felix Meritis.

Het digitaal beschikbaar zijn van erfgoedcollecties maakt het mogelijk nieuwe verhalen te vertellen en bestaande verhalen te verrijken, zoals ik hier doe. Dankzij de nieuwe media kunnen we steeds beter en steeds sneller inzichten opdoen, vergelijkingen maken, dwarsverbanden leggen.

Ik zal een voorbeeld van dat laatste geven. Dankzij die tekening weten we bij benadering hoe Arend Fokke er als tiener uitzag. Maar hoe zag Arend Fokke eruit als volwassene? Die vraag kunnen we niet beantwoorden aan de hand van de AHM Collectie Online. En dat is niet erg. Want in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam komt wel een prent van hem als volwassene voor.

Zo hoort het ook te werken in een genetwerkte samenleving. Vanuit hun eigen verantwoordelijkheden voor beheer, behoud en dienstverlening maken deze en andere erfgoedinstellingen het mij mogelijk mijn belangstelling voor het 18e-eeuwse Amsterdam te voeden met nieuw materiaal, nieuwe informatie, nieuwe inzichten. Voor wie die belangstelling deelt: graag wijs ik even op nog een ander lijntje in dat netwerk: mijn persoonlijke website, waar u een uitgebreidere biografie kunt lezen van Arend Fokke Simonsz.

Op deze wijze kunnen instellingen en individuen steeds meer samenwerken en netwerken. Vandaag grijpt het AHM een actieve rol in de digitale cultuurhistorische netwerken. Een prachtige online collectie met maar liefst 70.000 objecten, ieder met een eigen verhaal, komt beschikbaar. En dit is nog maar het begin. Dat is niet zozeer een oproep aan het museum, maar vooral aan u. Het AHM verleidt u uw eigen ontdekkingstocht door het verleden (en dat is voor mij ook de dag van gisteren) te maken. Dankzij internet is het gemakkelijker dan ooit verhalen te maken, te ontdekken en te delen met anderen.

Voor ik de online collectie van het AHM lanceer, wil ik de medewerkers van het AHM, Paul Spies, Judith van Gent, Marijke Oosterbroek, Gusta Reichwein en al die andere collega’s die betrokken waren bij het opzetten van de AHM Collectie Online, bedanken en feliciteren. Zij hebben het voor ons gemakkelijker en aantrekkelijker dan ooit gemaakt voorbij de waan van de dag te kijken en te tonen in welke mate wij, net als Arend Fokke, nog kinderen zijn van de Verlichting.

Tags

Presentaties Virtuele Historische Steden

18-02-2010 | Jeroen van der Vliet
Tags , ,