Webrichtlijnen in de revisie, praat mee

18-08-2010 | Jeroen van der Vliet

Het Kwaliteitsmodel Webrichtlijnen, dat eerder door het leven ging als de webrichtlijnen voor overheidswebsites, gaat dit jaar op de schop. Tot en met 15 september a.s. wordt de gelegenheid geboden inhoudelijk te reageren op versie 2.0. Het ziet er echter naar uit dat het hier vooral gaat om de correctheid van de vertaling van de Engelse brontekst van W3C naar het Nederlands, niet om de achterliggende principes. Dat zou wel eens een gemiste kans kunnen zijn.

Over de webrichtlijnen is ook in het erfgoedveld de afgelopen paar jaren het nodige te doen geweest. Tot een grote polemiek heeft dit alles niet geleid, maar toch, er waren uitgesproken voor- en tegenstanders te vinden. Om met de laatste – en meest vocale – groep te beginnen, die vinden de webrichtlijnen betuttelend en kostenverslindend en hebben er sowieso een hekel aan “omdat het verplicht is”. Probeer dat nog maar eens te overtroeven als voorstander.

Vooral dat laatste punt verdeelt het erfgoedveld. Zo moet het Nationaal Archief verplicht aan de webrichtlijnen voldoen, maar hoeft het Rijksmuseum er bijvoorbeeld helemaal niets mee te doen. De eerste is namelijk een overheidsinstelling (moet), de tweede een stichting (mag). Nu was het idee natuurlijk dat zij die niet moeten zich vast wel zouden kunnen vinden in de nobele gedachte van een toegankelijk web voor iedereen en dus uit eigen beweging zich aan de webrichtlijnen zouden conformeren. Helaas is daar tot op heden maar weinig van te merken, althans, in de erfgoedsector.

Dat bleek wel vorig jaar, toen geen consensus bestond om van de webrichtlijnen een minimumeis voor het digitale erfgoed te maken en in DE BASIS op te nemen. Zij die verplicht waren de webrichtlijnen toe te passen raadden het diegenen die niet moeten, maar wel willen, zelfs af. Het eindresultaat is dat er nu helemaal niets over webtoegankelijkheid in DE BASIS is opgenomen. Dat stoort, want het voelt alsof we op dit punt tekort zijn geschoten. Toch kan ik me niet aan de gedachte onttrekken dat een deel van het probleem zit in de presentatie van de webrichtlijnen. Omdat het moet, smoort het de goede wil die aan de webrichtlijnen ten grondslag ligt.

Daarnaast hapert er nog veel aan de beeldvorming. Nog steeds wordt algemeen gedacht dat webrichtlijnen in het leven zijn geroepen voor mensen met een handicap. Maar niet alleen zij, iedereen profiteert van de meeste richtlijnen die een betere webervaring garanderen. Met de webrichtlijnen in de hand worden betere websites gebouwd. En dan niet alleen voor websites om te raadplegen op de computer, maar vooral op al die andere apparaatjes waarmee we tegenwoordig internet tot onze beschikking hebben. Veel van de richtlijnen bevorderen daarnaast de automatische informatieverwerking door computers zelf, dus zonder tussenkomst van een persoon, en brengen zelfs het semantisch web een stapje dichterbij door te wijzen op het belang van beschrijven en structureren van informatie. Webtoegankelijkheid zegt daarmee veel meer over “overal en altijd internetten” dan over “internetten met een handicap”.

Interessant is dat vorig jaar door Michelle Thonen, als onderdeel van haar afstudeerproject aan de Hogeschool Rotterdam, uitgebreid is gekeken naar hoe de webrichtlijnen tot nu toe in de markt zijn gezet en hoe het gebruik ervan zou kunnen worden verbeterd.

In de door Thonen gevoerde gesprekken valt dezelfde kritiek als uit het erfgoedveld te beluisteren bij de bevraagde overheidsinstellingen, webbouwers en bedrijven: het is te veel, te rigide, te duur. Daarmee zijn de webrichtlijnen een spijtig voorbeeld geworden van hoe je met regelgeving ook je fraaie doel voorbij kan hollen. Wat als iets ideëls is opgezet, is een moetje geworden voor wie het ongeluk heeft een overheidsite bij te houden.

Terug naar de erfgoedinstellingen waar zeker goede wil bestaat om met de webrichtlijnen aan de slag te gaan, ook uit vrije wil. Immers, het zit in het DNA van deze organisaties om niet alleen te zorgen voor erfgoed maar daar ook toegang toe te bieden, voor onderzoeksdoeleinden, ter educatie, inspiratie, informatie en als vrijetijdsbesteding. Of zoals een archiefdirecteur ooit zei: “we doen onze uiterste best om de fysieke toegang tot ons gebouw te garanderen. Daar hebben we een prijs voor gekregen en daar zijn we maar wat trots op. Wat houdt me dan tegen die inspanning niet te leveren voor de toegang tot mijn digitale collecties?” Inderdaad, waarom eigenlijk niet?

Deelnemers aan onze expertmeeting opperden een lite-versie voor het erfgoed op te stellen, rekening houdend met enkele specifieke bepalingen in de webrichtlijnen die enorme kosten met zich mee brengen voor erfgoedinstellingen. Een transcriptie van elk gescand historisch document, ondertiteling van alle oude filmbeelden of een beschrijving van elk plaatje in een beeldbank; dat gaat bij velen ver boven het beschikbare budget. Dan moet echter wel iets veranderen aan de strikte interpretatie van de webrichtlijnen dat je alleen een keurmerk krijgt als je aan àlle 125 richtlijnen voldoet. Overigens, ook de opstellers van de webrichtlijnen hadden uit pragmatische overwegingen ooit een minimale en een maximale versie van de webrichtlijnen voor ogen, maar daar is politiek een stokje voor gestoken; one set to rule them all.

Een andere suggestie uit de eerder genoemde expertmeeting: creeër een subsidieregeling om erfgoedwebsites conform de webrichtlijnen om te bouwen. Helaas een weinig kansrijk voorstel in een tijd van aangekondigde, forse bezuinigingen. Misschien dat juist de toekomstige, beperkte financiële armslag het denken over de webrichtlijnen een nieuwe kant op kan sturen. We moeten ons nieuwe, andere vragen stellen. Niet hoe dwingen we dit de onwilligen af, maar hoe krijgen we ze er bij? Wat is essentieel om webtoegankelijkheid te bevorderen? Anders gezegd, wat mag als een redelijke inspanning worden beschouwd van een erfgoedinstelling? Dat lijkt me nou een mooie insteek voor de nu geopende discussie op review.wrv2.nl. Laat het niet bij een vertaling blijven. Denk breder, kijk verder. Doet u ook mee?

Tags ,

Doe de webkleurencheck

02-03-2010 | Jeroen van der Vliet

In DE BASIS is een kleurencheck opgenomen voor fotomateriaal (MacBeth Colorchecker) en grijswaarden (Kodak Greyscale 013), maar zo iets dergelijks is er nog niet voor de visuele overdraagbaarheid van webinformatie, in het bijzonder voor de wijze waarop kleurenblinden uw website zien.

Het probleem van kleurenblindheid is groter dan u wellicht dacht: 8% van alle mannen en 0,4% van alle vrouwen heeft een vorm van kleurenblindheid. Dat is een aanzienlijk deel van uw potentiële en bestaande webbezoekers. En dat betekent dat visuele informatie op uw website wellicht niet zo op hen overkomt als u het had bedoeld.

Sommige visuele informatie is onbegrijpelijk voor kleurenblinden (bron: Naar Voren).

In het artikel Kleurencheck: niet vergeten in het webtijdschrift Naar Voren legt Judith van Dam uit waar u op moet letten als u ook uw kleurenblinde webbezoekers de juiste boodschap wilt overdragen.

Tags ,

DE BASIS (weer) uitgebreid, enkele observaties

18-02-2010 | Jeroen van der Vliet

Een maandenlang traject is deze week afgerond: de uitbreiding van DE BASIS met twee nieuwe thema’s. Aan het pakket van minimumeisen voor het digitaal erfgoed zijn nu ook twee teksten toegevoegd over het beschrijving (metadata) en online presenteren van digitaal erfgoed (websitebouw).

De totstandkoming van de voorstellen kent een vastgestelde route. Onze ICT-redactie, met vertegenwoordigers uit het erfgoedveld, stelt de thema’s voor, een expertmeeting wordt belegd om te kijken welke standaarden en richtlijnen uit het ICT-register in aanmerking komen als een minimumeis, het tekstvoorstel wordt drie maanden op onze wiki ter aanvulling en discussie opengesteld voor iedereen, de ICT-redactie stelt voorlopige tekst vast na inspraakronde en daarna voeren we tien gesprekken met verschillende erfgoedinstellingen om het gebruik van de voorgestelde standaarden aan de praktijk te toetsen. Pas dan wordt het voorstel tot uitbreiding formeel goedgekeurd, door de ICT-redactie.

We gaan dus niet over één nacht ijs wat DE BASIS betreft. Toch blijkt het bepaald niet eenvoudig om de discussie met het erfgoedveld op gang te krijgen. Het is niet DEN, maar het erfgoedveld zelf dat op basis van zelfregulering bepaalt wat er in DE BASIS komt. Vandaar dat we sinds 2008 apart ook gesprekken met instellingen zijn gaan voeren. Daar komt veel informatie uit naar voren die instellingen wellicht liever niet op de wiki zouden willen zetten. De verslagen van deze gesprekken zijn overigens openbaar en kunnen dus allemaal worden nagelezen. Tijdgebrek en het gevoel niet deskundig genoeg te zijn om een tekstvoorstel over standaarden te kunnen beoordelen, zijn de belangrijkste redenen waarom mensen niet deel nemen aan de discussies op de wiki.

“Ik voel me niet expert genoeg om een technische tekst geschreven door de grootste experts op dat terrein te becommentariëren”
— een reactie op het gebruik van een wiki voor discussie

Op één specifiek onderwerp bezorgde ons dit veel hoofdbrekens: de webrichtlijnen. Overheidsorganisaties zijn gehouden aan het Kwaliteitsmodel Webrichtlijnen voor de ontwikkeling van hun website. Daarbij geldt kortweg: alles van het Rijk moet het doen, lagere overheden volgen. De regels zijn echter niet voor alle rijksinstellingen even gemakkelijk op te volgen, blijkt uit gesprekken die wij voerden. Vooral het aanbieden van een alternatief voor niet-tekstuele informatie (film, audio, stilstaand beeld) stuit op grote praktische en financiële bezwaren. Daarnaast blijkt ook nog eens dat wie niet hoeft, zich ook helemaal niet bezig houdt met webrichtlijnen. Dan gaat het binnen de erfgoedsector toch over het grootste deel van de instellingen. Dat maakt het extreem lastig om tot een algemene aanbeveling of richtlijn voor het hele erfgoedveld te komen.

Dit jaar willen we het hele project DE BASIS – dus zowel het idee van één pakket minimumeisen voor de digitalisering van cultureel erfgoed, als de opgenomen standaarden én de wijze van inspraak – in de vorm van een tussenevaluatie bespreken. Suggesties zijn van harte welkom op welke wijze u dat het prettigst zou vinden.

Immers, sinds de start van het project in 2006 beschikt DEN, naast een wiki en de ouderwetse e-mail, ook over dit weblog, twitterfeed, LinkedIn group om uw commentaar te geven. En als u het in een filmpje wilt zeggen, dan kunt u dat ook op ons YouTube-kanaal posten. Laat vooral uw stem horen!

Tags , ,

Standaards en e-mail

11-08-2009 | Jeroen van der Vliet

E-mail kan gelezen worden in veel verschillende e-mailprogramma’s en op een uiteenlopend aantal apparaten. Het probleem is dat bijna alle e-mail er in die verschillende programma’s anders uitziet. Vooral voor iedereen die urenlang heeft gewerkt aan een professioneel uitziende e-mailnieuwsbrief is dat geen wenselijke situatie.

Om die reden maakt het Email Standards Project zich sterk voor de navolging van webstandaards en toegankelijkheidseisen in e-mail net zoals dat voor websites gebeurt. Daarvoor werkt het initiatief samen met softwareleveranciers, programmeurs en grafisch ontwerpers.

Our goal is to help designers understand why web standards are so important for email, while working with email client developers to ensure that emails render consistently. This is a community effort to improve the email experience for both designers and readers alike.

Eén van de manieren waarop het Email Standards Project de ondersteuning van webstandaards controleert is via een zogenaamde acid test. Dit is een vrij eenvoudige manier om te zien of bepaalde functies of richtlijnen worden ondersteund. Wat namelijk niet goed werkt, ziet er al snel erg vreemd uit. Wie wil weten hoe bijvoorbeeld Outlook of Gmail de acid test doorstaat, kan deze ook als een e-mailbericht naar zichzelf versturen.

E-mailprogramma's worden op de ondersteuning van webstandaarden gecheckt via de acid test.

E-mailprogramma's worden op de ondersteuning van webstandaarden gecheckt door middel van de acid test.

Wie zelf een HTML-nieuwsbrief heeft, doet er verstandig aan dit altijd in verschillende e-mailprogramma’s te controleren. Daarnaast geeft het Email Standards Project ook aanbevelingen voor het gebruik van HTML en CSS in e-mail.

Nog niet alle e-mailprogramma's ondersteunen de voorgestelde webrichtlijnen.

Nog niet alle e-mailprogramma's ondersteunen de voorgestelde webrichtlijnen.

Dankzij het werk van het Email Standards Project voldoen steeds meer e-mailprogramma’s aan webrichtlijnen. Helaas zijn het vooral de grootsten – Microsoft Outlook 2007, Gmail en Windows Live Hotmail – die nog wat extra werk moeten maken voor ook zij volledig door de test heen komen.

Tags , ,

Dag HTML, hallo HTML

08-07-2009 | Jeroen van der Vliet

Panta rhei. Alles stroomt, alles is in beweging, schreef de Griekse filosoof Heraclitus al. Het gaat geweldig op voor de digitale wereld waar de ontwikkelingen niet zelden over elkaar heen lijken te rollen. Soms binnen een week.

Zo hadden we vorige week maandag enkele experts uitgenodigd om te praten over de uitbreiding van DE BASIS met het thema Presentatie. Naast de Webrichtlijnen Overheid.nl speelt bij Presentatie ook het gebruik van HTML een grote rol. Sommigen zullen zeggen, ligt het niet wat erg voor de hand dat je een website altijd in HTML publiceert? Toch zijn we van mening dat ook hier DE BASIS een helpende hand kan bieden want wie zegt HTML, kan nog uit allerlei “smaken” kiezen. Officieel spreekt DE BASIS zich niet uit over versies van bestandsformaten en programmeertalen. Maar mag je veronderstellen dat iedereen dan altijd de meest recente versie als basiseis beschouwt of moet je zo’n specificatie toch inbouwen, bijvoorbeeld om te voorkomen dat iemand nu nog een website in HTML 3.0 zou bouwen en daarmee aan DE BASIS zou voldoen. Vandaar in dit geval toch de vraag wat de specifieke minimale eis zou moeten zijn: HTML 4.01 Transitional, Strict of misschien toch XHTML 1.0? Of moeten we vooral letten op de toekomst, want wat te denken van HTML 5 en XHTML 2? Inderdaad, twee nieuwe versies die sinds 2007 gelijktijdig door W3C worden ontwikkeld. Keuzevrijheid of verwarring alom, het is maar hoe je het bekijkt.

Ondersteuning in de gangbare webbrowsers is altijd allesbepalend gebleken; niemand houdt van allerlei workarounds om het gewenste resultaat ook zo bij de eindgebruiker op het beeldscherm te toveren. En daar zat de angel, want zowel HTML als XHTML bleken zo hun eigenaardigheden te hebben en dat heeft ontwikkelaars tien jaar lang behoorlijk verdeeld. Tegelijkertijd is in de afgelopen tien jaar – praktisch een eeuw in internettijd – veel veranderd. Internet is overal en altijd, maar wordt daardoor ook flink belast. Dat vraagt niet om een robuuste infrastructuur alleen. Ook is er een opmaaktaal nodig die met dat brede scala van internettoepassingen om kan gaan. Alleen welke is dat dan?

In 1999 werd het kersverse XML nog gepresenteerd als de toekomst van het Web en werd het begin van het einde voor het oude en vertrouwde HTML aangekondigd. XHTML (“A Reformulation of HTML 4 in XML 1.0“) zou de overgang naar XML voor webprogrammeurs makkelijker moeten maken maar, zo was de gedachte, uiteindelijk zou er maar plaats zijn voor één opmaaktaal en XML had daarvoor toch de beste papieren. Toch? De webwereld is groot genoeg voor beiden gebleken. Anno 2009 wordt het overgrote deel van de webpagina’s nog steeds geserveerd in (X)HTML. XML heeft HTML niet overbodig gemaakt maar zelfs in zijn pure vorm is XML op het web, verpakt als RSS (Twitter) of KML (Google Earth / Maps) om maar twee toepassingen te noemen, eveneens onmisbaar gebleken.

Hoewel XHTML 1.0 het gebruik van HTML 4.01 uiteindelijk overbodig had moeten maken, werd twee jaar geleden toch besloten te werken aan een opvolger van HTML 4.01 (HTML 5) én van XHTML 1.0 (XHTML 2). Dat kwam nogal omslachtig over en leek ook de oude richtingenstrijd te doen oplaaien. Tot afgelopen vrijdag het W3C het volgende bericht de wereld instuurde:

Today the Director announces that when the XHTML 2 Working Group charter expires as scheduled at the end of 2009, the charter will not be renewed. By doing so, and by increasing resources in the HTML Working Group, W3C hopes to accelerate the progress of “HTML 5″ and clarify W3C’s position regarding the future of HTML.

Het W3C trekt de stekker uit haar XHTML 2-project en gaat alleen met HTML 5 verder. Is daarmee het pleit in het voordeel van de HTML-aanhangers beslecht? Nee, dat niet. Het stabiele en inmiddels door browsers goed ondersteunde XHTML krijgt alleen geen opvolger en daar zijn zelfs sommige XHTML-voorstanders niet eens zo rauwig om. Daarnaast introduceert HTML 5 veel belovende technieken die Flash overbodig zou maken en zou de ondersteuning van webfonts eindelijk doorbreken. Tegelijkertijd kan het nog wel tot 2012 (zelfs 2022 is al genoemd) duren voordat HTML 5 een Official Recommendation is. Daar wordt door de industrie overigens niet op gewacht. De allernieuwste versies van webbrowsers als Firefox, Safari en Opera ondersteunen HTML 5 in meer of mindere mate nu al.

Dus, is er eigenlijk wel iets veranderd? Niet echt. Alles stroomt, alles is – en blijft volop – in beweging. Dat maakt de keuze voor HTML of XHTML als basiseis er nog even niet eenvoudiger op.Vandaar ook dat we een uitbreiding van DE BASIS altijd voor een periode van twee jaar vaststellen. Zo kunnen we het beste inspelen op de snelle ontwikkelingen in de digitale wereld.

Overigens, vanaf volgende week kan iedereen meediscussiëren over welke webstandaarden in DE BASIS thuishoren via onze wiki.

Tags , ,

Het belang van valideren

13-05-2009 | Jeroen van der Vliet

Webpagina’s maken én onderhouden is uiteindelijk , mensenwerk, ondanks het gebruik van computers. En fouten maken, zo wil het gezegde, is nu eenmaal menselijk. Een klein typfoutje in de broncode van een webpagina kan soms verstrekkende gevolgen hebben: de pagina verschijnt niet snel op het computerscherm, een afbeelding wordt niet weergegeven, een RSS-feed werkt niet of de pagina wordt helemaal niet in die opmaak getoond zoals het bedoeld was.

Veel van deze problemen op websites zijn te voorkomen door alle webpagina’s voorafgaand aan de publicatie op de website te valideren, dus te controleren op allerlei fouten die de presentatie en inhoud kunnen hinderen. Hiervoor zijn op internet verschillende speciale computerprogrammaatjes – validators – beschikbaar. Lees meer over het nut van validatie en een overzicht van handige validators in het artikel Publiceren? Eerst valideren! dat op de website van DEN is te vinden.

website-ontwikkeling-screendump_w3cvalidator

Een van de meest bekende validators op het internet om webpagina's te controleren: de Markup Validator Service van W3C

Tags ,

Staatssecretaris stelt webrichtlijnen alleen voor rijksoverheid verplicht

14-01-2009 | Jeroen van der Vliet

In een brief aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Bijleveld van Binnenlandse Zaken dat zij de webrichtlijnen voor de overheid alleen verplicht wil stellen voor de rijksoverheid, lagere overheden worden niet verplicht zich aan de richtlijnen te houden.

De Webrichtlijnen overheid zijn in juni 2006 vastgesteld. Door middel van een validatietool kan de toegankelijkheid van een website op 125 criteria worden getest. De scores van overheidswebsites worden maandelijks gepubliceerd in de Overheid.nl Monitor.

webrichtlijnenoverheid.png

De staatssecretaris ziet dat de richtlijnen aan een betere toegankelijkheid van rijksoverheidswebsites hebben bijgedragen. “Maar met alleen de rijksoverheid zijn we er niet. Er zijn in totaal ongeveer 1200 overheidswebsites die aan de webrichtlijnen zouden moeten voldoen. Een wettelijke verplichting voor medeoverheden acht ik op gespannen voet staan met de eigen verantwoordelijkheid van de medeoverheden”, aldus de bewindsvrouw.

Een verplicht keurmerk voor overheidswebsites die voldoen aan de richtlijnen ziet Bijleveld eveneens niet zitten. Zij acht het de verantwoordelijkheid van de website-eigenaar zelf. De staatssecretaris laat daarbij het kostenaspect voor het aanvragen van een dergelijk keurmerk in haar beslissing meespelen.

De Tweede Kamer had de staatssecretaris ook gevraagd hoe het staat met het gebruik van Web 2.0 toepassingen op overheidssites. Bijleveld gaf in haar antwoord als voorbeeld Mijnoverheid.nl, dat informatie uit diverse bronnen koppelt en gepersonaliseerd aan kan bieden. Verder kondigde zij aan dat zij begin 2009 “een webomgeving” laat ontwikkelen waarin de stimulering van Web 2.0 toepassingen binnen de overheid centraal staat.

Tags