HTML5 en het erfgoed

05-07-2010 | Jeroen van der Vliet

Vorige week is HTML5 toegevoegd aan het ICT-register. Eerder schreven we al over de verschillende ontwikkelingen op het gebied van XML, XHTML, HTML die hadden geleid tot HTML5. HTML5 is zeker nog geen uitgewerkte standaard, maar is daarentegen nog volop in ontwikkeling.

Toch zagen we voldoende reden om HTML5 nu al op te nemen in het register; de toevoegingen kunnen grote voordelen bieden voor erfgoedinstellingen. Zo komen er meer mogelijkheden voor het benoemen van onderdelen van een webpagina, zoals article, section, aside, footer, header, nav en canvas; filmpjes kunnen beter worden ingebed en hebben straks wellicht geen Flash plug-in meer nodig. Tenslotte biedt HTML5 alle ruimte voor de ontwikkeling van web applicaties. Voor instellingen die nu overwegen nieuwe projecten te starten, kunnen dit interessante ontwikkelingen zijn om mee te nemen in de afweging om straks hun website in (X)HTML of HTML5 te publiceren.

Hoewel nog geen officiële W3C-standaard, ondersteunen de nieuwste versies van alle browsers ondersteunen allemaal HTML5 maar, zo als dat wel vaker gaat, ze doen dat allemaal (nog) niet op dezelfde wijze. Enig experimenteerwerk is dan ook een voorwaarde. We zijn trouwens erg benieuwd welke erfgoedinstellingen er inmiddels aan het experimenteren zijn met HTML5. Deze projecten nemen we graag als voorbeelden op in het ICT-register. Laat het ons weten!

Tags

Better than the real thing

30-06-2010 | Robert Gillesse

Directeur van het NAI Ole Bouman is niet bescheiden wanneer het gaat om de nieuwste App van het architectuurinstituut: UAR, ofwel Urban Augmented Reality. Ole noemt de UAR niet minder dan een paradigmawisseling. Een telefoonapplicatie (werkende op de Iphone en Android telefoons) waarmee het NAI letterlijk buiten haar eigen muren treedt.

Vandaag presenteerde NAI vol trots deze inderdaad revolutionaire nieuwe software. Op basis van de Layar-techniek en geolocaties zijn de stad Rotterdam voorzien van 350 locaties waar de gebruiker met zijn telefoon letterlijk kan zien welk gebouw er heeft gestaan, zal staan, zou hebben kunnen staan of wie de architect is van het huidige gebouw. Door simpelweg de slimme telefoon te richten op een van de “points of interest” verschijnen 3d-modellen, foto’s, filmpjes en achtergrondinformatie. De bronnen voor deze App komen slechts deels uit de archieven van het NAI. Belangrijke leveranciers van beeld zijn ook het Gemeentearchief Rotterdam, verschillende architectenbureau’s en projectontwikkelaars. Ook is het bedoeling gebruik te gaan maken van crowdsourcing: gewone gebruikers mogen dan ook informatie gaan toevoegen over gebouwen in de stad. UAR is dus verre van statisch. Omdat beelden soms veelzeggender zijn dan woorden is het volgend filmpje aanbevolen kijkvoer:

Bijzonder in UAR is onder andere het gebruik van 3D modelling. Verschillende 3D modellen van gebouwen die nog nog in het Rotterdamse straatbeeld moeten verschijnen zijn in de App reeds zichtbaar. Dat de fantasie heerlijk op hol slaat bij dergelijke toepassingen bleek uit een radiofragment waarin een geinterviewde jongedame zei: “dan heb je het echte gebouw niet meer nodig”. Bono (citeer hem met mate) van U2 zong het al een tijdje geleden: even better than the real thing

Dat het NAI zich bewust is van deze verregaande implicatie bleek uit een aantal “boude stellingen” die Bouman aan het eind van de bijeenkomst mocht beantwoorden. Zo werd hem voorgelegd dat bij het gemeengoed worden van dergelijke toepassingen “fysieke ruimte heeft geen betekenis meer zou hebben” en daarmee de rol van architectuur en het NAI uitgespeeld zou zijn. Bouman bestreed met verve deze stelling door te wijzen dat de fysieke beleving van ruimte zoals een gebouw die biedt iets onvergelijkbaars is.

Terugkerende naar de bouwput blijkt het maken van UAR een lastige klus. Ferry Piekart, projectleider van UAR, schetste wat problemen waarmee werd gekampt. Zo laat de GPS qua nauwkeurigheid te wensen over. Een virtueel gebouw kan daarom soms een aantal meter naast de plek bevinden waar het zou moeten staan. Een ander probleem bleek de interferentie van elektromagnetische velden: een passerende tram verstoord de Layar applicatie. UAR vraagt ook het uiterste van de huidige generatie telefoons: de processor krijgt het bij het gebruik van UAR het zo te verduren dat het arm apparaat letterlijk heet wordt. Auw!

UAR stopt niet bij Rotterdam. Later dit jaar volgen Den Haag, Utrecht en Amsterdam en in de komende jaren zullen andere steden volgen.

Nog verder denkende slaat de fantasie van uw verslaggever ook op hol: wat zou er allemaal met augmented reality niet nog meer mogelijk zijn met al het reeds gedigitaliseerde erfgoed? Het positioneren van Vermeer’s Gezicht van Delft op het huidige stadsbeeld van Delft? Wij dromen door…

Meer lezen:

Tags

To e-read or not to e-read

24-06-2010 | Jeroen van der Vliet

Op 17 juni 2010 organiseerden Stichting DEN en de Vereniging voor Geschiedenis en Informatica een gezamenlijke studiedag over het digitale lezen. Een middag dus over e-readers, e-books en wat dit alles betekent voor het cultureel erfgoed. Er waar beter een studiedag over het miniaturiseren van hele bibliotheken in één klein apparaatje te houden dan in het kleinste stadje van Nederland: Madurodam.

De studiemiddag over e-books vond plaats in een zonovergoten Madurodam.

Dagvoorzitter Robèrt Gillesse trapte af met een korte inleiding waarin hij zich openlijk afvroeg of de e-reader nu een toevoeging is om (digitale) informatie tot ons te nemen of dat dit het onvermijdelijke einde zal betekenen voor het op papier gedrukte boek. De vraag “Will it blend?” werd overigens wel bijzonderlijk letterlijk genomen in een YouTube-filmpje dat Gillesse toonde waarin een Apple iPad in de blender werd vermalen.

Wiebe de Jager is als uitgever van Eburon en initiatiefnemer van Ereaders.nl een van de voorlopers in Nederland op het gebied van e-books. De Jager noemde 2009 het jaar van het e-reading; de publieke aandacht was nooit eerder zo groot. Verkopen van e-readers en e-books vallen echter nog steeds tegen. De Jager verwacht dat een massale overstap op e-readers pas zal plaatsvinden wanneer obstakels als verkoopprijs, beschikbaarheid en flexibiliteit zijn opgelost. Zo zijn e-books nauwelijks goedkoper dan papieren boeken (en de BTW op e-books is met 19% zelfs veel hoger dan de 6% voor een papieren boek).

Over de studiemiddag werd druk getwitterd. Op de vraag aan de zaal wie er een e-reader heeft, gingen vijf handen op. Toevallig bleken die allemaal op dezelfde – eerste – rij te zitten.

Verder is het aanbod van digitale boeken in het Nederlandse taalgebied nog zeer bescheiden met zo’n 3 à 4000 titels. Wat de aarzelende bekeerling zeker nog tegenhoudt is het bestaan van verschillende, incompatibele bestandsformaten als mobipocket, epub en pdf. Net als met de videoband, waar eerst het pleit beslecht moest worden tussen de formaten vhs en betamax – om niet te spreken van video2000 – is deze slag volgens De Jager ook onherroepelijk nodig voor e-books.

Een bijzonder heikel punt voor de gebruikers van e-books is de toepassing van verschillende strigente kopieerbeveiligingen, kort samengevat als drm of te wel digital rights management. Deze beperkingen moeten de illegale verspreiding van digitaal materiaal voorkomen, maar hinderen daarbij ook legale kopers en gebruikers. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om onverminderd e-books te kopiëren van de ene naar de andere reader, hetgeen niet ondenkbaar is aangezien er nog steeds nieuwere versies van e-readers op de markt worden gebracht. En zoals Jan de Waal van Basisbibliotheek Maasland beaamt, drm brengt ook het uitleenverkeer van bibliotheken geheel in de war: door licenties mogen bibliotheken maar één exemplaar van e-book tegelijk uitlenen!

Renze Brandsma en Caspar Treijtel van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam gaan er vanuit dat deze organisatie vanaf 2025 helemaal geen gedrukte boeken meer zal aanschaffen. In de tussentijd is de universiteitsbibliotheek druk bezig de analoge wetenschappelijke collecties volledig te digitaliseren. Daardoor zullen de gedrukte boeken minder als informatiedrager en meer als cultureel erfgoed gaan worden beschouwd. De wetenschappelijke bibliotheek zal zich in deze digitale wereld, net als de eerdergenoemde openbare bibliotheken, moeten heruitvinden en zich profileren als een studiecentrum waar studenten en onderzoekers kunnen samenwerken.

René van Stipriaans eerste kennismaking met e-readers was van enkele jaren terug toen hij werd benaderd door het bedrijf iRex (dat overigens eerder op de dag aankondigde in surseance te zijn): of de hele DBNL bij wijze van promotiestunt op de iLiad zou kunnen worden gezet. Van Stipriaan ziet vooralsnog een uiterst moeizame opkomst van e-readers met maar weinig aanbod en waar ook niemand geld aan lijkt te verdienen.

Ziet de toekomst van het e-book er Googlefied uit, vroeg René van Stipriaan zich hardop af.

Op een studiemiddag over e-books is het onderwerp copyright – helaas – onvermijdelijk. En aangezien het woord “drm”, en de verwarring die dit met zich meebrengt voor uitgever én lezer al waren genoemd, is een bespreking van wat wel en niet mag met e-books ook onontbeerlijk. In veel opzichten is de situatie van e-books hetzelfde als die van gedrukte boeken: voor verspreiding is toestemming van de oorspronkelijke maker nodig en dat geldt nog tot 70 jaar na het overlijden van de langstlevende rechthebbende (dit hoeft niet altijd alleen de auteur te zijn, ook freelance illustratoren, fotografen of vormgevers kunnen aanspraak maken op het werk), daarna komt op 1 januari van het daaropvolgende jaar het werk in het publiek domein.

Er zijn echter ook enkele belangrijke juridische verschillen, constateert Lizzy Kok van de Koninklijke Bibliotheek. Zo kennen contracten van vóór 1990 het begrip “digitale exploitatie” niet, terwijl bij nieuwere contracten niet altijd duidelijk is of de verspreiding als e-book werkelijk is inbegrepen. Dat betekent dus vaak opnieuw onderhandelen met àlle rechthebbenden.

Tot slot brengt Paul Rutten, hoogleraar digitale mediastudies aan de Universiteit Leiden, de verschillende lezingen weer bijeen in een brede bespiegeling op het digitaal lezen. Rutten citeert daarbij met regelmaat Marshall McLuhan (1911-1980) om e-readers en e-books een plaats te geven. Het horseless carriage syndrom is sprekend van toepassing op de terminologie van e-books en ook e-readers proberen duidelijk de “look and feel” van het gedrukte boek te kopiëren. Of nog zo’n kraker: de inhoud van het nieuwe medium is het oude medium. Het gros van de e-books bestaat immers uit gedigitaliseerde versies van reeds gedrukte werken.

Daarmee zien we de toekomst door de achteruitkijkspiegel. Waarom proberen e-readerverkopers juist senioren aan het digitaal lezen te krijgen? Jongeren hebben de toekomst, maar onder de 30 is er niemand die een e-reader heeft. Rutten kijkt daarom met vertrouwen naar de toekomst waarin voor digitaal en papier een markt blijft. Daarbij zal de digitale publicatie veel meer een eigen weg kiezen en steeds minder nog lijken op de leeservaring van papier.

Een digitale publicatie zal vaak doorverwijzen naar andere bronnen, net als het internet, interactief zijn en mogelijkheden bieden voor samen werken en samen lezen. Het is de praktische toepassing die vooral bepalend zijn op welke wijze de informatie tot ons komt: form follows function. Dat is overigens geen wijsheid van McLuhan, maar van architect Louis Sullivan (1856-1924).

We zouden het bijna vergeten, zelfs Madurodam is al helemaal in oranjestemming met het WK voetbal op de buis.

Nachleben
Over de studiemiddag is druk getwitterd, geblogt en met de digitale fotocamera vastgelegd (ook al zo’n horseless carriage). Een kleine selectie van blogs met 23 Dingen en een Mens, Festina Lente, Museum Future en we voegen natuurlijk meer toe als deze verschijnen. De berichten van de twitterende deelnemers zijn bijeengebracht op Twapper Keeper en foto’s, gemaakt door Jan de Waal, zijn te bewonderen op Picasa en die van DEN op Flickr. De presentaties (in PowerPoint-formaat) zijn eveneens beschikbaar.

Tags

5K Contest is (weer) relevant

23-06-2010 | Jeroen van der Vliet

Het zal wel een tik zijn van iemand die vaak werkt met digitaal erfgoed, het meer dan gemiddeld terugblikken op hoe het vroeger was. Zo blader ik vaak met groot plezier door oude computerboeken en tijdschriften. Niet zelden ontsnapt er een gniffel als ik lees over de dingen waar we ons toen zo op konden winden en nu moet ik vooral geen flauwe grapjes gaan maken over de millennium bug.

Zo’n tien jaar terug was het maken van een website nog tamelijk eenvoudig: tekstje schrijven, plaatje erbij, nog van wat vetten en cursieven voorzien en – hup – online. Nou ja, dat liep nog niet zo’n vaart met z’n piep-prrrr-piep over een 14K-inbelmodem. Vormgevers vonden het allemaal maar niets dat op het web de door hen zorgvuldig uitgekozen opmaak er niet bij iedereen hetzelfde uitzag – het arsenaal aan universele lettertypes was sowieso wat beperkt met Courier New en Times New Roman – en kwamen met een truukje: de hele website vastklinken in een grid van tabellen en alle kopjes als plaatjes opslaan.

De HTML-code van websites raakte voller en voller door de brij van tr‘s en td‘s, maar in ieder geval was er weer wat controle over de opmaak en uitstraling van de webpagina. Sommigen gingen nog een stapje verder en bouwden de gehele website op in Flash. Daarmee was, indien de gebruiker maar de juiste plug-in had of downloadde, succes zo goed als verzekerd. En natuurlijk riepen mijn voorgangers bij DEN toen al dat dit niet geheel conform de standaarden was.

Die zekerheden kwamen tegen een zeer hoge prijs: websites werden bijzonder traag van al die extra regels code, tientallen tekst-als-afbeeldingen en grote Flash-bestanden die moesten worden binnengehaald én dat moest allemaal door dat eerdergenoemde trage inbelmodempje binnen worden gehaald. Niet zelden klaagden webgebruikers dat ze minuten moesten wachten tot ze eindelijk een website op hun beeldscherm hadden. En terecht, voor al die belminuten moest ook worden betaald in het pre-ADSL-tijdperk. Velen haakten maar af nog voordat de hele website op het scherm verschenen was. Het is in onze tijd van overal supersnel internet haast niet meer voor te stellen.

Als tegenbeweging zette Stewart Butterfield in 2000 de hele webbouwerswereld aan het denken met zijn 5K Contest. Kort samengevat, bouw een website die alles tezamen niet groter is dan 5K oftewel 5 kilobyte. Vijf ki-lo-byte! En niet sprokkelen met server-scripts of stiekeme caching. Volgens menig bouwer of vormgever was dat simpelweg een onmogelijke opgaaf en juist daardoor, zoals Jeffrey Zeldman destijds in A List Apart het bondig samenvatte, … briljant .

Zo’n 250 inzendingen dongen mee naar de hoofdprijs van maar liefst 5K dollarcent (dat is dus $ 50), waaronder The Web’s Smallest Art Gallery en variaties op allerlei spelletjes als Pong, Tetris en Space Invaders. De winnaar was Usedit.com, een webwinkel voor pixel-meubels. Het onmogelijke was dus toch mogelijk, je kon een website bouwen van minder dan 5K.

Maar wat is nu nog de relevantie van 5K? We downloaden binnen een handomdraai megabytes in plaats van kilobytes aan data. Denk maar aan streaming video of online gaming. Daarnaast werkt echte elke webbouwer tegenwoordig met aparte CSS- en JavaScript-bestanden en is zo de opmaak en scripting van elke webpagina losgemaakt van de tekst en structuur in HTML. De tijd dat je je druk hoefde te maken om een kilobyte, ach, het is een leuke anecdote…

Er is één in belang snel groeiend terrein waar elke byte weer meetelt: mobiel internet. Wie op zijn of haar telefoon – of dat nou een iPhone is doet er weinig toe – een website bekijkt, merkt dat de snelheid waarmee data binnenkomt zeer sterk kan verschillen. Niet iedereen staat altijd te internetten recht onder een telefoonmast. Op die momenten wil niemand wachten op webpagina’s vol films, veel te grote afbeeldingen en uitgebreide scripts. Dus omarm weer dat aloude motto: klein is fijn! Want voor het mobiele internet is de uitdaging van een website bouwen onder de 5K weer helemaal terug!

Tags

Moeilijk concept… common craft legt uit

22-06-2010 | Janneke Grooten

Wordt het u soms te abstract met al die digitale nieuwigheden? Zoals augmented reality? Deze letterlijk vertaalde ‘toegevoegde realiteit’ is een technologie waarbij virtuele beelden worden toegevoegd aan concrete, bestaande beelden, op smartphones bijvoorbeeld. Maar hoe werkt het dan precies? Bekijk hieronder een Engelstalig common craft-filmpje, waarin helder en kort wordt uitgelegd wat augmented reality is, hoe het momenteel gebruikt wordt en wat voor mogelijkheden het biedt voor de toekomst.

YouTube Preview Image

Complexe onderwerpen in plain english
Common craft-filmpjes zijn korte (drie minuten durende) filmpjes waarin complexe onderwerpen op een heldere manier uiteen worden gezet. Bekijk ook eens de filmpjes waarin Twitter en sociale media worden uitgelegd. Bezoek voor meer informatie de website www.commoncraft.com.

Tags

Aan het nieuwe kabinet

18-06-2010 | Marco Streefkerk

Er wordt in Nederland aan een nieuw kabinet gewerkt dat recht doet aan de uitslag van de verkiezingen op 9 juni. Al vóór de verkiezingen stuurden Erik Gerritsen en Frans Nauta, als ambassadeurs van Nederland Open in Verbinding (NOiV) een open brief aan het toekomstige kabinet waarin ze pleiten voor meer sturing op een ‘open’ ICT.  Dergelijk beleid zou bijdragen aan realisatie van twee door alle politieke partijen onderschreven doelstellingen: miljarden besparen vanwege efficiency én verbeterde dienstverlening van overheid aan burgers.

Goedkopere en betere dienstverlening vereist volgens de auteurs samenwerking tussen – publieke of private – organisaties en in het bijzonder de mensen die er in werken. Een essentiële randvoorwaarde hiervoor is dat systemen van de verschillende organisaties met elkaar kunnen ‘praten’, ook wel interoperabiliteit genoemd. Het succes van het web laat zien dat interoperabiliteit niet vraagt om een masterplan vooraf, maar dat het een kwestie is van een slimme combinatie van afspraken – open standaarden – die de ‘randen’ van (overheids-)organisaties openbreken.

Instellingen en ICT-leveranciers zijn daarin al aardig op weg, maar meer succes van open ICT vraagt om duidelijkheid over de status en toekomst van specifieke standaarden en van het standaardenbeleid van de overheid. In dat kader doen de auteurs om een aantal concrete aanbevelingen:

  • Verstevig de kennis van open standaarden;
  • Stel eisen aan de ‘randen’ van organisaties, zodat informatieuitwisseling nu en in de toekomst snel en flexibel vormgegeven kan worden, bijvoorbeeld via ‘pas toe of leg uit’ voor geselecteerde standaarden;
  • Bouw aan infrastructuur voor samenwerking in de vorm van gemeenschappelijke voorzieningen en meer standaardiseren van werkprocessen;
  • Professionaliseer het standaardisatieproces door financiële steun aan beheerorganisaties en communities rond standaarden;
  • Investeer in bestaande organisaties die zich nu al richten op standaardisatie in specifieke sectoren.

Ik denk dat DEN deze brief van harte kan ondertekenen. De eerste vier van bovengenoemde punten zijn belangrijke onderdelen van onze eigen activiteiten. Het laatste punt lijkt een directe steunbetuiging aan het (voort)bestaan van DEN als schakelpunt voor meer open ICT in het cultureel erfgoed. Zou DEN het initiatief moeten nemen voor een open brief aan de toekomstige minister van OCW?

Tags , , ,

Onze toekomstige buren

15-06-2010 | Marco Streefkerk

Deze week kreeg DEN bezoek van Bertil Voogd (servicemanager) en Gerard Kuys (informatiearchitect) van Bibliotheek.nl. Deze club is dit jaar ontstaan vanuit de ontvlechting van de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB).

Bibliotheek.nl - Neem eens een bibliobreak

Bibliotheek.nl helpt bibliotheken innoveren en dat vormt een overeenkomst met één van de hoofdtaken die DEN heeft voor het cultureel erfgoed. Hoewel bibliotheken binnen het beleid van OCW niet onder cultureel erfgoed vallen, zijn er wel veel raakvlakken. We spreken zelfs van erfgoedbibliotheken: (universitaire) bibliotheken met bijzondere collecties.

Qua werkwijze is er wel een verschil. DEN stelt als kenniscentrum instellingen in staat om zelf organisatie, infrastructuur en dienstverlening aan te passen aan de digitale maatschappij. Met behulp van standaarden ontstaat een Digitale Collectie Nederland als combinatie van het aanbod van afzonderlijke instellingen. Bibliotheek.nl heeft de opdracht om centraal de benodigde infrastructuur op te bouwen waar de afzonderlijke bibliotheken dan gebruik van maken. Meer een soort service center dus. Toch moet ook zo’n gezamenlijke infrastructuur duurzaam en uitwisselbaar zijn en dus zijn standaarden ook voor bibliotheek.nl een onmisbaar instrument. Kennisuitwisseling met DEN over standaarden dus.

Maar het gesprek ging ook over aansluitende dienstverlening. Zo zou het mooi zijn als gebruikers van de Nederlandse Bibliotheek Catalogus (werktitel van één van de centrale diensten van bibliotheek.nl) ook erfgoed vinden. Sowieso zie je regionaal een ontwikkeling waarbij bibliotheken met hun vele bezoekers en centrale plek in de gemeenschap functioneren als extra toegangspoort voor de inhoud en kennis van musea, archieven en andere collectiebeheerders.

Bibliotheek.nl is als centrale partij ook  een mogelijk doorgeefkanaal (aggregator) voor bibliotheekinformatie aan Europeana. Als kritisch deelnemer van de werkgroepen, heeft DEN goed zicht op de ontwikkeling binnen Europeana. Het project heeft de ambitie een oplossing te vinden voor een gezamenlijk aanbod vanuit de diverse domeinen van culturele informatie. Het Europeana Data Model (EDM) gebruikt daarvoor onder meer onderdelen van FRBR. Laat dit nu juist ook het datamodel zijn waarmee bibliotheek.nl het vinden en verkrijgen van informatie via bibliotheken wil verbeteren.

Het gesprek was een nuttige eerste informatieuitwisseling tussen de wereld van bibliotheek en die van het erfgoed. Beiden kunnen van elkaar leren en elkaar versterken. De contacten kunnen de komende tijd intensieveren aangezien een deel van de mensen van bibliotheek.nl in de KB buren worden van DEN; en ook nog eens in het voormalige kantoor van Europeana…..

Tags

Project I.R.E.N.E.: digitalisering van oude audiomaterialen door optische oppervlakte-scan

10-06-2010 | Digitaal Erfgoed Nederland

Op uitnodiging van DEN heeft Kees Grijpink van het Meertens Instituut een gast-blogpost geschreven over zijn bezoek aan de Recorded Sound Division van de Library of Congress (LoC) in Washington. Hij kreeg hier een uitgebreide demonstratie van een innovatieve techniek om oude audiomaterialen af te kunnen spelen en te digitaliseren. Lees hieronder zijn verslag.


Tijdens mijn bezoek aan de Library of Congress heb ik kennis gemaakt met een groot aantal mensen die zich direct of indirect bezighouden met de conservering van audiomateriaal. Peter Aleya, werkzaam in Washington bij de Recorded Sound Division van de LoC, is samen met Carl Haber (Lawrence Berkeley National Lab) de bedenker en ontwikkelaar van het project I.R.E.N.E. (Image, Reconstruct, Erase, Noise, Etc.). Dit project is een in samenwerking ontwikkelde 2D- en 3D-scanner, waarmee een image kan worden gemaakt van de groeven van geluidsdragers zoals wasrollen en grammofoonplaten. Men maakt een 2D-of 3D-scan van een geluidsdrager en de gemaakte image kan vervolgens via een ‘virtuele platenspeler’  hoorbaar gemaakt en opgeslagen worden.

3D-scanner voor wasrollen
3D-scanner voor wasrollen

Tijdens de demonstratie van het prototype werd al snel duidelijk dat de mogelijkheden en resultaten van dit apparaat zeer goed te noemen zijn en dat de reproductie van vintage en zelfs beschadigd audiomateriaal via deze ‘virtuele platenspeler’ voor de komende jaren onovertroffen zal zijn. Alhoewel het nu ook al mogelijk is om gebarsten wasrollen af te spelen, kan men met dit systeem zelfs losgelaten stukken acetaat, van bijvoorbeeld acetates met een glazen basis, apart inscannen, om ze vervolgens als een puzzel in elkaar te zetten.

In vergelijking met de Optical Turntable die al zo’n 10 jaar in gebruik is bij het Meertens Instituut, is de bediening van het prototype van project I.R.E.N.E. eigenlijk vrij eenvoudig te noemen. Afhankelijk van de afmeting en de ‘speelduur’ van de geluidsdrager, is een 1:1 overzetting vrij snel voltooid. Volgens de ontwerpers is het ook niet direct noodzakelijk dat de geluidsdrager vooraf wordt gereinigd. Normaal gesproken is dit al een tijdrovende bezigheid met kans op onherstelbare schade van de geluidsdrager, bijvoorbeeld bij acetaat op glas.

Het is uiteindelijk de bedoeling dat er alleen een 3D-versie operationeel zal zijn. Maar tegen de tijd dat I.R.E.N.E. beschikbaar is voor derden, zullen wij bij het Meertens Instituut helaas de digitalisering van onze vintage grammofoonplaten al voltooid hebben.

Kees Grijpink
Hoofd audio digitalisering Meertens Instituut

Voor eventuele aanvullende informatie, kunt u per e-mail contact opnemen met Kees Grijpink: kees.grijpink@meertens.knaw.nl.

Website audioconservering: www.meertens.knaw.nl/meertensnet/wdb.php?sel=138820.

Tags , ,

Op de drempel van DEN: IS&T Archiving conference 2010

10-06-2010 | Robert Gillesse

Uw verslaggever was vorige week deelnemer aan de IS&T Archiving 2010 conference – een internationale jaarlijkse conferentie over digitale duurzaamheid en image capture. De conferentie duurde vier dagen, waarvan de eerste dag een pre-conference was met workshops. De andere dagen waren gevuld met lezingen, poster sessies en de nodige netwerkuurtjes. Deze keer was IS&T wel erg dicht bij huis: op de drempel van DEN, in het KB complex.

Zoals bij alle grote conferenties was het betreft de lezingen niet altijd feest. De ene lezing was beter dan de andere en/of sloot beter aan bij de belangstelling van ondergetekende. Ook wrong soms de combinatie van digitale duurzaamheid en imaging: de twee onderwerpen zijn geen natuurlijke bondgenoten. Bij sommige specialistische lezingen kreeg je sterk het idee dat een aanzienlijk deel van het publiek zich stierlijk zat te vervelen. Maar de afgelopen dagen overziend is het eindoordeel positief. Omdat Inge Angevaare van de NCDD reeds een prima blog over de conferentie heeft geschreven volsta ik hier met enkele persoonlijke observaties:

  • Een prominente rol in de conferentie was weggelegd voor een aantal grote Europese projecten op het gebied van digitale duurzaamheid. Met name Shaman en het zojuist afgeronde Planets waren duidelijk aanwezig. Opvallend toch hoe lastig het is, als relatieve nieuweling in dit veld, het overzicht te bewaren over al die verschillende Europese projecten. Natuurlijk gaat het uiteindelijk ook niet om die projecten an sich maar om de producten en diensten die ze opleveren. Het is hoog tijd mij hierin eens stevig te verdiepen…
  • Zoals Inge op haar blog schrijft was de William Killbride van de Britse Digital Preservation Coalition (DPC) de onbetwistbare ‘winnaar’ van de conferentie. Zijn inspirende keynote gaf daadwerkelijk te denken over een aantal vaste waarden binnen de digitale duurzaamheidsdisussie. Om maar eens wat te noemen:
    • Digitale duurzaamheid is moeilijk. Als je altijd uitgaat van het OAIS model wel ja, maar als je nu eerst eens begint  de backuptapes van de vloer van de serverruimte te halen en die elders op te slaan is dat al een mooi begin. Kortom: begin niet altijd met het moeilijkste.
    • Digitale duurzaamheid is duur. Je kunt de vraag ook omdraaien, wat kost het als je niets doet, wanneer het waardevolle deel van je digitale data teloorgaat? Digitale bronnen zijn assets, hebben waarde!
    • Digitale duurzaamheid is een specialisme geworden. De afgelopen 10 à 15 jaar is er enorme vooruitgang geboekt op het gebied van digitale duurzaamheid. Een van de gevolgen daarvan is dat een heel vakgebied met bijbehorend jargon is ontstaan. Het gevaar bestaat dat wanneer het onderwerp aan beleidsmakers moet worden verkocht de vertaalslag naar een begrijpelijke case moeilijk kan worden gemaakt.

    Killbride’s betoog kwam er eigenlijk op neer digitale duurzaamheid niet altijd in de probleemsfeer (moeilijk en duur) te trekken maar juist de waarde te benadrukken van de te behouden digitale data. In wezen een open deur van jewelste, maar soms kan het geen kwaad to state the obvious

  • Enige stevige food for thought had Killbride ook betreft de eindeloze discussie welke bestandsformaten nu wel of niet geschikt zijn voor archivering: de keuze van een robuust formaat zou niet alleen mogen worden bepaald door de technische eisen. Ook zou in de beslissing moeten worden meegewogen voor welk publiek en in welke workflow het formaat uiteindelijk gebruikt gaat worden. Hoe zinvol is het maken en bewaren van enorme TIFF masterbestanden als die in alledaags gebruik nooit gebruikt zullen gaan worden?
  • In de sfeer van bestandsformaten blijvende: opvallend was de aandacht voor het DNG (Digital Negative) formaat. Een tweetal lezingen (door Peter Krogh en Michael J. Bennet) hadden dit formaat als onderwerp. DNG is een door Adobe ontwikkelt formaat dat als doel heeft digitale foto’s die zijn opgeslagen in een proprietary raw formaat te converteren naar een open standaardformaat waarin de `ruwe` beeldinformatie bewaart blijft. Het opslaan van de raw photo data heeft voordelen voor de beheerder van fotografisch materiaal: alle informatie die de digitale camera heeft vastgelegd op de CCD bevindt zich in het beeld. In die zin lijkt een raw formaat op een analoog negatief (hence the name: digital negative). DNG is een extensie op het aloude TIFF formaat en biedt naast de raw opslag een andere interessante eigenschap: de mogelijkheid van non-destructieve nabewerking (parametric image editing). Nabewerkingen zijn in een DNG slechts lagen bovenop de originele, onaangetaste beeldinformatie. Ook een sterke feature is dat alleen van de basisbeeldlaag een checksum wordt gemaakt. Het mooie hiervan is dat de de duurzaamheid van het bestand kan worden bewaakt, los van de eventuele nabewerkingen. Of DNG interessant kan zijn voor erfgoedinstellingen (en dan met name de fotobeherende instellingen) is een onderzoek waard.
  • Betreft de image capture gaf Hans van Dormolen (beeldwetenschapper KB) een presentatie van de nieuwe Metamorfoze richtlijnen (meest opvallende vernieuwing: het werken met verschillende kwaliteitsniveau’s), het eerder op deze plaats behandelde UTT test target en bijbehorende controle software. De mogelijkheden van automatische controle – op basis van test targets – van een digitaliseringsworkflow werd aannemelijk gemaakt door Paul W. Jones van het Amerikaans bedrijf Certifi Media. Interessant in dit verhaal was ook dat automatische kwaliteitscontrole werd verbonden aan automatische beeldnabewerking.
  • Spectaculair beeldmateriaal betrof de lezing van Scott Geffert, een imaging consultant werkzaam in onder andere het Van Gogh Museum en het Rijskmuseum. De digitalisering van de schilderijencollectie van het Van Gogh is zeer grondig aangepakt. Van elk schilderij zijn meerdere digitale opnames gemaakt, met meerdere belichtingen, die, behalve nog een kunstzinnig ‘beauty shot‘ allemaal voldoen aan de Metamorfoze standaarden (Hans van Dormolen is dan ook nauw betrolken geweest bij dit project). Geffert liet een prachtige interface zien waarmee door de ‘belichtingslagen’ kon worden ‘gewandeld’ en toonde en passant een Ipad app waarmee de geheime wens van iedere liefhebber wordt waargemaakt: het van heel dichtbij, ja intiem, beroeren van de penseelstreek van Van Gogh.

Nu de conferentie over is rest ons een forse bundel met lezenswaardige proceedings. Deze zomer zal in het teken staan van studie, stilte en contemplatie.

Tags ,

Gesproken taal is zeg maar echt hun ding

01-06-2010 | Monika Lechner

“Beeldcollecties zijn het belangrijkst en geluid is een stiefkind”, concludeerde Kees Slager zijn onderzoek naar de gesteldheid van oral history (audio) materiaal bij provinciale erfgoedinstellingen. Als journalist, schrijver en oprichter van het VPRO-radioprogramma OVT, gaf hij op 27 mei 2010 de thematische inleiding bij de kick-off van het project Verteld Verleden.
Slager doelde met zijn opmerking op de vele audiobandjes die als ruw materiaal door bijvoorbeeld journalisten gebruikt zijn om tot een geschreven tekst te komen. Deze collecties sluimeren nu nog grotendeels in de archieven. Niemand die er gebruik van kan maken of zelfs maar weet wat er allemaal precies op staat.  Foto van een object in het Keramiek Museum Princessehof door ML

Het zou zonde, nee veel eerder een gemiste kans, als ik u nu hier snel navertelde wat iemand die sinds 1957 in de praktijk met oral history werkt, te vertellen heeft. Dat moet u zelf zien – en vooral horen. Daarin ligt juist de magie en de toegevoegde waarde van gesproken taal: je hoort de stiltes, de emotie en alles wat je niet zo maar in woorden kunt vatten.
Naar het motto “Bakker, eet je eigen brood” hebben de spraakherkennings-experts dan ook alle lezingen en presentaties van de bijeenkomst in één video online beschikbaar gesteld. Nee, het was niet nodig om van elke spreker een aparte video beschikbaar te stellen. En nee, u hoeft niet bang te zijn dat u voor een bepaalde sessie het hele filmpje vooraf moet kijken. In de video is namelijk een menu ingebed waarmee u met één klik naar de juiste plek gebracht wordt, waarna het fragment begint (zie de schermafdruk hieronder).

Kees Slager met links in beeld het transparante menu met hoofdstukken in het videoverslag. Door middel van een klik komt men naar de plek in de video waarop de gewenste presentatie staat.

Deze technologie zal ook in het eindproduct van het open platform voor oral history door de deelnemende instellingen gebruikt kunnen worden. De komende jaren zal het ontwikkelproject Verteld Verleden het gemeenschappelijk gedistribueerd toegankelijk maken van Nederlandse oral history collecties nog verder uitwerken. Vooral het bundelen en verspreiden van kennis en mogelijkheden op dit gebied – zodat alle verschijningsvormen van oral history beter ontsloten kunnen worden - staan centraal.

Technologische aspecten
Franciska de Jong van de Universiteit Twente en projectleider van het geralateerde CATCH project Access to Oral History (CHORAL) presenteerde het technologische perspectief. Ze legde kort de  drie verschillende manieren van spraakherkenning uit (HEAVY / LIGHT / LINK GENERATION FOR CROSS-MEDIA PRESENTATION), waarmee de Universiteit Twente in de afgelopen jaren ervaring heeft opgedaan of aan heeft meeonwikkeld. Ze onderstreepte dat in een open portaal als ‘Verteld Verleden’ het gebruik van open standaarden, open source en de noodzaak tot samenwerking met  collectiebeheerders en eindgebruikers van groot belang zijn.

You are what you share
Over harvesten, spraakherkenningstechnieken, indexeren, zoeken en de eisen aan de gebruikersinterface was al goed nagedacht, zo bleek uit de presentaties die in de middag door de projectdeelnemers gegeven werden. Dat het project moet aansluiten bij open standaarden is duidelijk. Alleen welke standaarden dat precies zullen zijn, moet nog worden vastgesteld. De gebruikersinterface (lees: de videoplayer) is in ieder geval al open source en beschikt over de mogelijkheid om materiaal niet alleen op de portal, maar ook op de homepage van de instelling of zelfs in sociale netwerken te embedden. Vooral over laatstgenoemde functionaliteit ben ik persoonlijk heel blij, want delen met je netwerk is zo helemaal van deze tijd. Ik zou niet meer zonder kunnen. Oftewel: You are what you share.

Spreken is zilver, ontsluiten is goud
‘Verteld Verleden’ heeft ook als doel duidelijke richtlijnen en best practices voor collectiebeheerders op te stellen, zodat ze zelf aan de slag kunnen met de nieuwe technologie. Opdat oral history in toekomst geen ondergeschoven kindje blijft en er nog vele schatten in de Nederlandse archieven ontdekt kunnen worden!

Tags , , , , , , , ,